Alexandra van Huffelen: 'Hoe gekker het wordt, hoe rustiger ik blijf'
In dit artikel:
Alexandra van Huffelen (1968) staat bekend als een daadkrachtige bestuurder die moeilijke, vaak politiek beladen dossiers oppakt en daarbij zichtbaar is in vergaderingen: ze leest zich grondig in, vormt vroeg een oordeel en durft als eerste het woord te nemen. Sinds vorig jaar is ze bestuursvoorzitter van de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar ze werkt vanuit het monumentale Berchmanianum. Daarnaast is ze sinds 2025 partijvoorzitter van D66, een combinatie die aanvankelijk vragen opriep over rolvermenging; ze heeft afgesproken dat bij een botsing zij kiest voor de universiteit en zegt nooit ja tegen beide partijen als dat integriteitsrisico’s zou opleveren.
Van Huffelens cv bevat sleutelrollen in politiek en semipublieke organisaties: als staatssecretaris van Financiën leidde ze het herstel en de compensatie na het toeslagenschandaal en eerder leidde ze bedrijven als GVB en Essent. In haar crisisaanpak combineert ze rationele analyse met strategisch denken: risico’s — financieel, reputatie — worden systematisch afgewogen, mitigatie wordt besproken met betrokkenen en daarna bewaart ze de rust. Persoonlijk raakte het toeslagendossier haar: ze sprak met meer dan 660 gedupeerde ouders, wat emotioneel zwaar was maar ook leidde tot een focus op oplossingsgericht handelen.
Op de universiteit kreeg ze te maken met protesten en bezettingen rond het Israël–Gaza-conflict en met de kwestie rond docent Harry Pettit, wiens uitspraken volgens Van Huffelen geweld verheerlijken en niet strookten met universitaire gedragscodes. Pettits weigering zijn uitspraken te erkennen maakte volgens haar een oplossing onmogelijk. Haar optredens tonen een balans tussen vrije academische ruimte en handhaving van normen.
Privaat schetst het gesprek een vrouw gevormd door een intellectueel en maatschappelijk betrokken opvoeding: een vader hoogleraar neurofysiologie die pas iets zegt nadat hij zich heeft verdiept, en een moeder die op latere leeftijd ging studeren en het belang van zich blijven ontwikkelen illustreerde. Van Huffelen groeide oecumenisch op — katholieke en protestantse elementen — en ziet in die mix haar ernst en rituele gevoeligheid terug. Ze besteedt aandacht aan presentatie — vaak in ontwerpen van Nederlandse modeontwerpers — omdat zichtbaar zijn voor haar onderdeel is van effectief leiderschap: “Laat jezelf inhoudelijk zien, maar doe ook iets aan waardoor je niet als een muurbloem in de massa opgaat,” zegt ze daarover.
Emancipatie en feminisme zijn belangrijke thema’s voor haar. Rond haar dertigste maakte het boek De tweede sekse van Simone de Beauvoir indruk en het wakkerde bij haar een vastberadenheid aan om kansen te grijpen en zich niet klein te laten maken. Ze beschouwt zichzelf als feminist en ziet nog steeds dat vrouwen extra stimulans nodig hebben om gelijkwaardig te participeren. Haar eigen loopbaankeuzes werden mede gestuurd door praktische overwegingen: Van Huffelen en haar man besloten geen kinderen te nemen, een keuze die haar vrijheid gaf om carrièremogelijkheden zonder thuisbeperkingen te benutten.
Haar stijl om zich soms ‘one of the guys’ te tonen erkent ze als strategisch: het werkte en hielp haar door te breken in mannen gedomineerde omgevingen, hoewel ze nu begrijpt dat jonge vrouwen dat tegenwoordig anders kunnen waarderen. Ze benadrukt ook het belang van cultuurkennis en binnenlands reizen als manier om verschillende achtergronden te begrijpen — een waarde die ze thuis meekreeg.
Kortom: Van Huffelen profileert zich als een analytische, zichtbare en strategische bestuurder met een sterke praktijkgerichte aanpak van crises, een duidelijke opvatting over integriteit en rolverdeling tussen academische en politieke functies, en een persoonlijke achtergrond die haar inzet voor emancipatie en maatschappelijke ambitie voedt.