De nieuwe 'Zes van Antwerpen'
In dit artikel:
Tijdens de coutureweek in Parijs werd de persoonlijke verzameling van Martin Margiela geveild. De verkoop vond plaats in het elfde arrondissement, vlak bij het voormalige hoofdkwartier van zijn modehuis. Elk lot vond een koper. Het meest opvallende resultaat was voor een uniek paar witte tabi-laarsjes met zwarte krabbels: die brachten 364.000 euro op. Ook schetsen, oude showopnames, Margiela’s witte stofjas en Hermès-outfits uit de garderobe van zijn moeder gingen onder de hamer. De veiling had daardoor niet alleen de spanning van een recordverkoop, maar ook de weemoed van een belangrijk hoofdstuk uit de modegeschiedenis.
Margiela, die publieke optredens en foto’s altijd vermeed en alleen per fax interviews gaf, hielp ongeveer veertig jaar geleden de Belgische mode internationaal op de kaart te zetten. Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen, net als de ontwerpers die bekend werden als de Antwerpse Zes: Ann Demeulemeester, Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Dirk Van Saene en Marina Yee. Een retrospectief in het Antwerpse modemuseum MoMu onderstreept hun blijvende invloed. Van de groep werkt alleen Van Beirendonck nog als ontwerper; anderen verkochten hun merken, werden kunstenaar of overleden inmiddels.
De betekenis van de Zes ligt volgens jongere ontwerpers niet zozeer in een gedeelde stijl, maar in hun houding. Zij bewezen dat mode persoonlijk, intellectueel en onafhankelijk kan zijn en dat ontwerpers een eigen taal mogen ontwikkelen zonder voortdurend bevestiging te zoeken. Hun voorbeeld heeft ruimte geschapen voor nieuwe Belgische stemmen. Na de Zes volgde rond de eeuwwisseling een nieuwe generatie, met onder anderen Raf Simons, Olivier Theyskens, Véronique Branquinho en A.F. Vandevorst. Inmiddels leiden Belgische ontwerpers of alumni van Belgische opleidingen grote internationale modehuizen, zoals Matthieu Blazy bij Chanel, Demna Gvasalia bij Gucci, Nadège Vanhée bij Hermès, Anthony Vaccarello bij Saint Laurent, Raf Simons bij Prada en Pieter Mulier bij Versace.
Naast de Antwerpse Academie speelt de Brusselse opleiding La Cambre daarin een steeds grotere rol. De school, oorspronkelijk opgericht als Franstalig tegenwicht voor Antwerpen, heeft volgens Olivier Theyskens inmiddels minstens evenveel invloed. Theyskens, zelf een pionier van La Cambre, werkt tegenwoordig in Antwerpen als artistiek directeur van het nieuwe luxemerk Boloria. De grote belangstelling voor diens debuutshow, onder meer van Anna Wintour, laat zien dat ook nieuwe Belgische initiatieven internationaal serieus worden genomen.
Tot de opvallendste ontwerpers van de jongste generatie behoort Glenn Martens. Na zijn eigen label en een periode bij het inmiddels verdwenen Y/Project werd hij in 2020 creatief directeur van Diesel. Sinds vorig jaar leidt hij bovendien Maison Margiela, waar hij John Galliano opvolgde. Zijn shows voor Diesel zijn groots en experimenteel; bij Margiela verwees hij al naar zijn geboortestad Brugge en presenteerde hij onder meer een collectie tijdens een show met een kinderorkest. Het modehuis staat opnieuw op de Parijse kalender.
Meryll Rogge begon haar loopbaan met een stage bij Marc Jacobs in New York, waar ze uiteindelijk zeven jaar bleef. Daarna werkte ze vier jaar als hoofd van de vrouwencollecties bij Dries Van Noten. Hoewel haar eigen label kort voor de coronapandemie werd gelanceerd, wist ze met elegante, vrouwelijke kleding een internationaal publiek op te bouwen. Sinds 2025 is ze creatief directeur van Marni, naast haar eigen merk en een samenwerking rond breimode. Haar recente presentatie in de Belgische ambassade in Parijs en een samenwerking met een Brusselse kunstboekenwinkel in een voormalig Margiela-pand vormden een symbolische verbinding met die Belgische modegeschiedenis.
Julie Kegels, die in 2024 haar eigen merk startte na een opleiding in Antwerpen en stages bij Rogge en Alaïa, bouwde eveneens snel een eigen publiek op. Haar shows op ongewone locaties zetten een bekende Belgische traditie voort. Vooral in Japan is haar werk populair, met twaalf verkooppunten. Kegels is dit jaar genomineerd voor de LVMH Prize.
Ook Marie Adam-Leenaerdt behoort tot de nieuwe lichting. Zij studeerde aan La Cambre, liep stage bij Balenciaga en debuteerde in 2023 tijdens de Parijse modeweek. Haar onafhankelijke label wordt inmiddels verkocht door gerenommeerde winkels in onder meer Parijs, Londen en de Verenigde Staten. In 2024 werd ze genomineerd voor de LVMH Prize en vorig jaar won ze de Grand Prix de l’Andam.
Het duo Ester Manas en Balthazar Delepierre, eveneens afkomstig van La Cambre, brak door met inclusieve kleding die verschillende lichaamstypes moest passen. Hun stretchjurken werden gemaakt van restmaterialen en kregen aanvankelijk veel internationale erkenning. Toen inclusiviteit als trend aan aantrekkingskracht verloor, trokken inkopers zich echter terug. Na twee jaar zonder catwalk kwamen ze terug met kleinere collecties, verkoop via hun eigen website en een kindercollectie. Tijdens de volgende Parijse modeweek presenteren ze opnieuw een show.
Een andere belangrijke opvolger is Julian Klausner, die sinds twee jaar de ateliers van Dries Van Noten leidt. Hij studeerde aan La Cambre en werkte eerder bij Maison Margiela en Van Noten, waar hij hoofd van de vrouwencollecties was. Na Van Notens vertrek werd Klausner uiteindelijk diens opvolger. Dat hij van de Brusselse opleiding kwam, was opvallend, maar zijn jarenlange samenwerking met Van Noten en zijn kennis van diens werk bleken doorslaggevend. Zijn eerste collecties kregen lof omdat ze trouw blijven aan het oorspronkelijke merk, terwijl ze tegelijk een jongere blik toevoegen.
De veiling van Margiela’s persoonlijke spullen toont daarmee niet alleen het einde van een tijdperk. Ze laat ook zien hoe de ideeën van Margiela en de Antwerpse Zes voortleven in een nieuwe generatie, die via Antwerpen en Brussel haar eigen plek in de internationale mode probeert te veroveren.
Vandaag Inside: Oncoloog Joost Boormans bij Vandaag Inside: ‘De ontwikkelingen rond kanker gaan nu echt heel snel’