De wethouder van buiten bestuurt prima, 'maar ze houdt niet van de stad'

zaterdag, 14 maart 2026 (00:34) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

Erika Spil woont in Ronde Venen maar werkt als wethouder in Ouder‑Amstel; ze zegt inmiddels onder haar vijftiende burgemeester te hebben gewerkt en is in totaal wethouder geweest in vijf verschillende gemeenten. Zij staat symbool voor een groeiende praktijk: steeds meer gemeenten benoemen ‘wethouders van buiten’ — bestuurders die niet in de gemeente wonen waar ze in het college zitten. Het FD‑onderzoek wijst uit dat 47% van de gemeenten minstens één dergelijke wethouder heeft.

Formeel is dat niet de bedoeling: de wet schrijft voor dat lokale bestuurders in hun eigen gemeente moeten wonen, om lokale binding te bevorderen. In de praktijk vraagt de gemeenteraad jaarlijks toestemming als een wethouder niet verhuist; adviesorgaan Arpa noemde dat procedé eerder een ritueel dan een effectief waarborgmechanisme. De Vereniging Nederlandse Gemeenten pleit om die reden voor versoepeling van de huidige regeling.

De oorzaken zijn concreet: het wethouderschap is geëvolueerd naar een veel zwaardere, vaak fulltime functie door gemeentelijke herindelingen en toegenomen taken — van jeugdzorg tot de implementatie van de Omgevingswet en privacyvraagstukken. Lokale partijen klagen over gebrek aan kandidaten: politieke druk, intimidatie en beperkte arbeidszekerheid weerhouden mensen ervan wethouder te worden, waardoor partijen vaker buiten de eigen gemeente zoeken. Tegelijk ontstaan praktische belemmeringen: een wethouder die plotseling moet verhuizen heeft weinig ontslagbescherming en banken kunnen politieke ambten als ‘instabiel’ zien, wat hypotheken bemoeilijkt.

De meningen over het fenomeen lopen uiteen. Lokale politica Silvia Bruggenkamp (Swollwacht) is principieel tegen wethouders van buiten: volgens haar helpt een buurman‑wethouder het vertrouwen in bestuurders en voorkomt het afstand tussen bestuur en bewoners. Ze verwijst kritisch naar gevallen als Dorrit de Jong, die tijdens haar ambtstermijn van Zwolle naar Amsterdam verhuisde omdat haar partner daar ook wethouder is. De Jong verdedigt dat afstand geen onoverkomelijke handicap hoeft te zijn: een buitenstaander kan nieuwe oplossingen zien en door extra inzet verbinding met inwoners onderhouden.

Onderzoek naar de feitelijke effecten is schaars. Wethouderonderzoeker Henk Bouwmans vond dat in 2018–2022 het aandeel wethouders van buiten dat vroegtijdig wordt weggestuurd nauwelijks hoger was dan van binnenkomende wethouders; volgens hem geeft dat geen sterk bewijs dat buitenstaanders slechter functioneren. Ook blijven de meeste wethouders nog altijd afkomstig uit de eigen gemeente, en voorbeelden als Spil — die in meerdere gemeenten wethouder van buiten is geweest — zijn zeldzaam.

Arpa staat ambivalent tegenover wetswijziging: het college erkent dat jaarlijkse toestemming vaak nauwelijks inhoud heeft, maar benadrukt ook het belang van lokale binding. Praktische problemen — wie verkoopt zijn huis, hoe vang je een gezin op, en hoe veilig is het ambt gezien maatschappelijke agressie — maken politieke en persoonlijke afwegingen complexer.

Het Sociaal‑Cultureel Planbureau concludeerde recent dat Nederlanders gemiddeld tevredener zijn over hun gemeentebestuur dan over landelijke politiek, maar veel burgers weten niet precies wat hun lokale overheid doet en de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen blijft laag (minder dan de helft ging naar de stembus bij de vorige verkiezingen). Voorstanders van versoepeling wijzen op de noodzaak van een grotere kandidatenpoel en specialistische kennis, tegenstanders op het belang van lokale verankering en vertrouwen. Spil verwacht uiteindelijk dat het woonplaatsvereiste zal worden losgelaten: voor haar telt de professionele kwaliteit en kennis van de gemeente zwaarder dan verplicht verblijf.