Fed blijft klaar om rente te verlagen, maar zorgen nemen toe over VS-datastilte
In dit artikel:
De Federal Reserve begint op 28-29 oktober aan een beleidsvergadering terwijl de keuzehorizon sterk vertroebeld is door de Amerikaanse overheidssluiting die op 1 oktober inging. Door die sluiting ontbreken cruciale overheidscijfers, met name het maandelijkse banenrapport van het Bureau of Labor Statistics, waardoor beleidsmakers en markten op een fragmentarisch gegevensbeeld zijn aangewezen.
Wat wel beschikbaar is, wijst op gemengde signalen. Partiële gegevens en Fed-eigen enquêtes suggereren dat de banengroei nog altijd zwak is: de gemiddelde maandelijkse aanwas liep in juni–augustus terug naar circa 29.000 banen, ver onder het pre‑COVID‑niveau. Tegelijkertijd laten sommige bedrijfsenquêtes en bedrijfsverwachtingen aanwijzingen zien voor oplopende prijzen en een opwaartse herwaardering van groei nu investeringen en bepaalde belastingmaatregelen — onder meer vrijstellingen voor fooien en overuren — mogelijk de koopkracht en teruggaven van huishoudens vergroten.
Inflatie blijft boven het streefpercentage van 2%. De door de Fed gebruikte PCE‑maat steeg van een dieptepunt van 2,3% in april naar 2,7% in augustus; bestuurders verwachten rond de jaarwisseling circa 3,0% en een daling in 2026. De Consumentenprijsindex (CPI) voor september wordt nu op 24 oktober gepubliceerd nadat een deel van het personeel terugkeerde; Reuters‑economen ramen een jaar-op-jaar stijging van ongeveer 3,1%. Dergelijke cijfers kunnen het bestuurlijk debat over het tempo en de omvang van renteverlagingen beïnvloeden.
Financiële markten rekenen grotendeels op een eerste renteverlaging van 25 basispunten naar een bandbreedte van 3,75–4,00% tijdens de vergadering. Toch beschrijven economen en Fed‑bestuurders de huidige situatie als “vliegen in het duister”: zonder het volledige arbeidsmarktbeeld is het moeilijk te beoordelen of trage banengroei het gevolg is van zwakkere vraag, arbeidsaanbodproblemen (bijvoorbeeld door immigratiebeleid) of iets anders — onderscheid dat alleen uitgebreide overheidsstatistieken betrouwbaar kunnen maken.
Fed‑bestuurders hebben uiteenlopende standpunten. Sommige leden, zoals de president van de Kansas City Fed, vinden het huidige renteniveau passend om inflatiedruk te beteugelen; anderen, waaronder nieuw benoemde stemmen, zien ruimte dat inflatie afneemt en dat tarieven nu al te hoog zijn. Functionarissen noemen ook nieuwe risico’s: voorzieningen voor kredietverliezen bij twee banken, hernieuwde handelsspanningen met China en de onvolledigheid van particuliere alternatieven voor overheidscijfers. Privé‑data (zoals creditcardtransacties of loonlijstrapporten) bieden bruikbare signalen maar missen vaak dekking en kalibratie — ze bedekken bijvoorbeeld niet de laagste inkomensgroepen evenredig — en kunnen overheidsstatistieken niet volledig vervangen.
De onzekerheid raakt de besluitvorming: sommige Fed‑leden pleiten voor een voorzichtige eerste verlaging gevolgd door afwachting, anderen willen vasthouden aan de huidige koers zolang inflatie‑ en arbeidsmarktgegevens niet overtuigend wijzen op ontspanning. Politieke en economische bijstellingen — belastingwijzigingen, investeringsstromen richting technologieën als kunstmatige intelligentie, en verschillen in consumptie tussen inkomensgroepen — voegen lagen complexiteit toe.
Kortom: de Fed staat voor een lastige afweging. Zonder volledige, actuele overheidsdata moeten bestuurders vertrouwen op gefragmenteerde privé‑indicatoren en eigen analyses, wat de kans op beleidsfouten vergroot of in ieder geval het vertrouwen in het juiste tempo van renteverlagingen vermindert.
Vandaag Inside: In de Wandelgangen: Staan Hélène Hendriks en Jeanneau van Beurden open voor Boxing Stars?