Gemeenten hebben flinke reserves, maar voor scholen en infra is geen geld 

zondag, 8 maart 2026 (06:19) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

De jaarlijkse Benchmark Nederlandse Gemeenten van accountant BDO, verschenen in januari, wekt op het eerste gezicht de indruk dat gemeenten qua geldpositie floreren: in 2024 kregen gemeenten gemiddeld een 8,4 (tegen 7,6 een jaar eerder), slechts acht van de 342 gemeenten scoorden een onvoldoende en gezamenlijk gaven gemeenten dat jaar €2,4 mrd minder uit dan ze ontvingen, waardoor de totale reserves opliepen tot ongeveer €43 mrd. Dat beeld zorgt er echter voor dat buitenstaanders — van burgers tot Kamerleden — zich afvragen waarom veel gemeenten toch klagen over tekorten en investeringsachterstanden.

BDO zelf waarschuwt juist dat “schijn bedriegt”: onder dat ogenschijnlijke overschot liggen flinke kwetsbaarheden. Naar verwachting nemen kosten in de komende jaren toe terwijl de inkomsten niet evenredig groeien, wat tot een cumulatief tekort van ongeveer €2 mrd tot 2030 kan leiden. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en econoom Jan van der Lei bevestigen dat de investeringsruimte van gemeenten sterk is geslonken: de gemiddelde investeringsruimte daalt van €408 per inwoner in 2024 naar €239 per inwoner over 2025–2030, en ligt al zo’n 40% lager dan het niveau van vóór 2009.

De ogenschijnlijke spaarpot blijkt grotendeels niet vrij besteedbaar: veel van de €43 mrd zijn bestemmingsreserves, gereserveerd voor specifieke projecten zoals wegen of bruggen en dus niet inzetbaar voor exploitatieproblemen. Bovendien zijn die potjes vaak onvoldoende als een klus daadwerkelijk moet worden uitgevoerd. Gemeenten houden nu weinig over dan het ‘eindjes aan elkaar knopen’ met rijkssubsidies en eigen inkomsten (grondverkopen, OZB, betaald parkeren), of door lokale lasten te verhogen of onderhoud uit te stellen.

De politieke context verscherpt de onzekerheid: de vorige regering stelde een miljardenkorting op uitkeringen twee jaar uit tot 2028, maar die datum valt binnen de vierjaarlijkse meerjarenblik die gemeenten moeten hanteren. De nieuwe coalitie noemt de gemeentelijke geldzorgen in het akkoord niet, waardoor veel wethouders niet weten waar zij de komende jaren op kunnen rekenen.

Praktische gevolgen worden zichtbaar bij vervangings- en onderhoudsvragen: verouderde infrastructuur in jaren‑zeventigwijken kan verslechteren en het basisonderwijs ziet dat ongeveer 9% van schoolgebouwen ‘echt vervangen’ moet worden — ruwweg 800 gebouwen. Zonder extra middelen van het Rijk zullen veel gemeenten moeite hebben om noodzakelijke investeringen te realiseren.