Hoe de indo's ons leerden rocken
In dit artikel:
Ernst Jansz, in 1948 geboren in Amsterdam als zoon van een Indische vader, woont al sinds 1970 in Neerkant. In de studio van Trypoul blikt de voormalige toetsenist van Doe Maar terug op de rol van Indische Nederlanders in de popgeschiedenis en op zijn eigen muzikale wortels.
Voor een generatie fans was ‘Rumah Saya’, afkomstig van Doe Maars album Skunk uit 1981, een eerste kennismaking met Indonesië. De titel betekent ‘Waar is mijn thuis?’. Het lied verwoordde Jansz’ zoektocht naar identiteit, al lag zijn thuis uiteindelijk vooral in Brabant. Na het uiteenvallen van Doe Maar in 1984 bleef hij grotendeels buiten de schijnwerpers. Hij maakte vijf soloalbums met rustige, gevoelige muziek waarin zijn Indische achtergrond sterker doorklinkt dan in zijn werk met de band.
Volgens Jansz hebben Indische muzikanten Nederland eind jaren vijftig leren rocken. De belangrijkste pioniers waren de Tielman Brothers, vier broers die in 1957 vanuit Indonesië naar Nederland kwamen. In pensions en zalen ontwikkelden zij spectaculaire optredens die verder gingen dan de Amerikaanse rock-’n-roll van Chuck Berry en Little Richard. Hun energieke speelstijl werd bekend als indorock. Ook bands als The Crazy Rockers, The Javelins en The Black Dynamites traden veel op in Nederland en andere Europese landen. De Indische muzikanten hadden een voorsprong doordat zij via Amerikaanse radiozenders al vroeg met rock-’n-roll in aanraking kwamen.
De Tielman Brothers traden in Hamburg op in dezelfde periode als The Beatles en zouden die band hebben beïnvloed. Tegelijkertijd bereikten de Indische broers Riem en Ruud de Wolff, bekend als The Blue Diamonds, wereldwijd succes met melodieuze pop zoals ‘Ramona’. De indorockscene verloor halverwege de jaren zestig echter terrein door de opkomst van Britse bands. De aandacht verschoof naar groepen die eigen nummers schreven en zich als creatieve eenheid presenteerden.
Jansz sloot zich in 1967 aan bij de folkband CCC Inc., die in Neerkant als muzikale commune leefde. Hij miste in die tijd een Nederlandse poptraditie en vond het opvallend dat veel bands niet in het Nederlands zongen. Met Doe Maar hielp hij daar verandering in te brengen. De ska- en reggae-invloeden kwamen volgens hem niet uit zijn Indische afkomst, maar uit cassettebandjes met Jamaicaanse muziek die hij hoorde toen hij in de begeleidingsband van Boudewijn de Groot speelde.
Toch ziet Jansz wel een Indische invloed in Doe Maars muziek. Indo’s zouden volgens hem anders met stiltes omgaan: waar Nederlandse muzikanten die vaak vermijden, zijn stiltes voor Indische muzikanten als witregels in een tekst. Na Doe Maar koos Jansz daarom voor ingetogen solowerk. Voor inspiratie luisterde hij naar krontjong, een nostalgische Indonesische volksmuziek die hij omschrijft als de blues van de Indo’s. Hij mist daarbij nog altijd Henny Vrienten, die in 2022 overleed, en zegt geen nieuwe Nederlandstalige ska- of reggaemuziek zonder hem te willen maken.
Hoewel Jansz’ soloalbums veel minder luisteraars trekken dan Doe Maar, ziet hij de Indische muzikale traditie voortleven. Hij noemt onder meer Nusantara Beat en The New Diamonds. Ook jongere generaties Indo’s tonen volgens hem meer belangstelling voor hun geschiedenis. De eerste generatie zweeg vaak over oorlogstrauma’s, maar latere generaties praten daar gemakkelijker over. Jansz beschouwt Indo’s als een unieke gemeenschap van gemengde afkomst en Europese opvoeding, die ondanks uitsluiting een grote bijdrage aan de Nederlandse popmuziek heeft geleverd.
De Oranjezomer: Noa Vahle over mogelijke Ajax-transfer: 'Dat zou ik wel opvallend vinden!'