Hoogste inkoper Defensie: 'Iedereen wil mijn partner zijn, mijn mailbox zit vol met briljante ideeën'
In dit artikel:
Viceadmiraal Jan Willem Hartman (57) leidt sinds september 2023 het Commando Materieel en IT (Commit), de enorme inkoop- en materieeldienst van Defensie. Vanuit zijn kantoor op de Kromhoutkazerne in Utrecht stuurt hij bijna 7.000 medewerkers aan — voor ongeveer 90% burgerambtenaren — en krijgt hij de komende jaren miljarden te besteden om een krijgsmacht die decennia van bezuinigingen achter de rug heeft, opnieuw uit te rusten in onrustige geopolitieke tijden.
Hartman, van huis uit technisch officier en opgegroeid in Vlaardingen, staat voor een dubbele opgave: materieel snel bestellen en tegelijk de Nederlandse industriële belangen meenemen. De omslag in Nederland kwam pas echt na de Russische inval in Oekraïne (2022). Waar in 2015 de defensiebegroting rond de €8 mrd lag en aan materieel slechts ongeveer €1,3 mrd werd besteed, staat er voor dit jaar circa €13 mrd voor aanschaf en onderhoud van materieel in de boeken — en dat bedrag groeit de komende jaren verder. Die financiële ruimte is nieuw; de uitdaging is nu om snelheid en besluitvaardigheid te organiseren in een systeem dat jarenlang op krimp was ingesteld.
Operationeel legt Hartman de nadruk op tempo en pragmatisme. Waar zijn voorgangers gewend waren aan veel tijd en weinig geld, moet Commit nu veel sneller schakelen: van opdracht tot contract en levering moet de doorlooptijd aanzienlijk korter. Zijn werkwijze laat zich samenvatten als kiezen voor eenvoud als het kan — de zogeheten “ladder van eenvoud”: eerst kijken of er bestaande, toegankelijke producten of ontwerpen zijn die met weinig aanpassing kunnen voldoen in plaats van vanaf nul iets ontwikkelen. Voor grotere maritieme projecten zoals fregatten is dat lastiger; zulke schepen vereisen vaak Europese aanbestedingen of directe opdrachten aan één leverancier, en die trajecten kunnen lang duren. Hartman zegt dat tot zo’n 80% van de aanbestedingen om pragmatische redenen via directe gunning of met opties verloopt, zodat andere landen kunnen aanhaken en gezamenlijke ketens ontstaan: “Met wie ga je vechten, met die partner ontwikkel en koop je.”
Nederlandse industrie kan profiteren van de opgaven, maar de staatsmanagers kunnen niet altijd nationaal inkopen. Alleen enkele Nederlandse bedrijven leveren eindproducten van formaat — vooral scheepsbouwer Damen en radarproducent Thales — en veel andere toeleveranciers spelen een rol binnen internationale ketens. Economische Zaken en het Commissariaat Militaire Productie spelen een rol bij het afdwingen van industriële participatie; er wordt gestreefd naar compensatie van rond 60% van de aanschafwaarde in opdrachten naar Nederlandse bedrijven. Hartman noemt voorbeelden van bedrijven die goed in de keten liggen, zoals Van Halteren (componenten en assemblage) en FSO (lasercommunicatie voor ruimte-toepassingen). De afgelopen vijf jaar ging meer dan 80% van de contractwaarde naar Europese leveranciers.
Toch benadrukt Hartman dat Nederland als relatief klein land niet alles zelf kan produceren en dat échte opschaling en geloofwaardige Europese krijgsmachten alleen via samenwerking en specialisatie te bereiken zijn. Hij wil meer Europese samenwerkingsprojecten zien, en ziet kansen in domeinen waarin Nederland sterk is — het maritieme domein en technologische niches zoals sensoren en kwantumtechnologie — om zo bij te dragen aan meer Europese autonomie in wapensystemen. Dat vereist soms pijnlijke keuzes: bepaalde bedrijven steunen en anderen teleurstellen, bescherming van eigen industrie loslaten om gezamenlijk sneller capaciteiten op te bouwen.
Pragmatisme bepaalt ook de trans-Atlantische kant: voor veel systemen — F-35’s, Apache-helikopters — blijft samenwerking met de VS onmisbaar. Als een Amerikaanse oplossing sneller beschikbaar is dan een Europese, speelt dat mee in de afwegingen; Hartman legt de verantwoordelijkheid voor nationale industriële afwegingen deels bij het kabinet en bij Economische Zaken. Tegelijk werkt Commit internationaal aan opschaling van productiecapaciteit en ziet Hartman sinds de oorlog in Oekraïne een groter gevoel van urgentie bij westerse partners.
Intern ziet Hartman een cultuurverandering: technici die gewend zijn aan perfectie moeten leren sneller te leveren; controlemechanismen en bedrijfsvoering moeten worden aangepast aan groei in plaats van krimp. Hij stelt duidelijk dat zijn mensen het belangrijkste kapitaal zijn en wil het beeld wegnemen dat daar jaren passief is gezeten. Praktische instrumenten die hij noemt: meer werken met contracten met opties, directe gunningen waar dat tijd scheelt en het actief zoeken naar partnerschappen zodat materieel, onderhoud en training Europees gedeeld kunnen worden.
Kleinere anekdotes schetsen zijn stijl en de sfeer bij Commit: Hartman verschijnt informeel in trui met rangonderscheiding, in zijn vitrine staan schaalmodellen en zelfs een gele speelgoed-onderzeeër als knipoog. Maar de kern is zakelijk: leveren op tijd blijft leidend, industriële voordelen zijn gewenst maar mogen nooit ten koste gaan van operationele paraatheid.