Inflatie loopt op maar niet sterker dan verwacht, terwijl bbp terugvalt
In dit artikel:
In New York op donderdag 28 mei rapporteerde het Amerikaanse Bureau of Economic Analysis (BEA) een neerwaartse bijstelling van de economische groei in het eerste kwartaal: het bbp groeide op jaarbasis met 1,6% in plaats van de eerder gemelde 2,0%. Die correctie werd toegeschreven aan lagere cijfers voor voorraadinvesteringen en consumentenbestedingen. Tegelijkertijd bleek de door de Fed nauwlettend gevolgde PCE-prijsindex in april met 3,8% op jaarbasis te zijn gestegen — de grootste toename sinds mei 2023 — nadat maart op 3,5% bleef. Maandelijks nam de PCE met 0,4% toe (na +0,7% in maart). De kern-PCE (exclusief voedsel en energie) kwam op jaarbasis uit op 3,3% versus 3,2% in maart; maandelijks bleef de kerninflatie met +0,2% iets gematigder.
Op de markten leidde het nieuws tot een overwegend rustige start: aandelenfutures waren nagenoeg vlak, staatsobligatierentes veranderden weinig (2-jaars rond 4,04%, 10-jaars rond 4,48%) en de dollar stond licht lager. Economen en strategen reageerden verdeeld: sommige waarschuwden dat lagere groei gecombineerd met oplopende inflatie doet denken aan stagflatie en de druk op de Fed om de rente langer hoog te houden vergroot; anderen noemden het cijfer minder verontrustend dan gevreesd en wezen op factoren zoals olieprijzen, consumentenbestedingen en investeringen in AI die inflatiedruk kunnen beïnvloeden.
Kortom: een zwakkere groeilezing naast aanhoudende inflatie houdt beleidsmakers voor een lastige afweging en houdt markten gespannen over het toekomstige rentebeleid.