Is bij oorlogsdreiging een Europees gevoelde identiteit noodzakelijk?
In dit artikel:
Bijna de helft van de Nederlanders vreest dat oorlog ook Nederland kan bereiken, terwijl slechts 17% aangeeft bereid te zijn zelf te vechten — een kloof die het fragiele draagvlak voor militaire inzet blootlegt nu geopolitieke onzekerheid toeneemt. Tegen die achtergrond gingen emeritus hoogleraar wijsgerige antropologie Jos de Mul en generaal Mart de Kruif (voormalig commandant van een Navo-missie in Zuid-Afghanistan) in gesprek in een vrijwel leeg restaurant van Hotel Haarhuis in Arnhem over de vraag of er zoiets bestaat als een gezamenlijke Europese identiteit en welke rol die speelt bij weerbaarheid en solidariteit.
De Kruif stelt dat identiteiten in praktijksituaties vooral concreet en kleinschalig zijn: loyaliteit ontstaat aan de mensen naast je, niet aan abstracte vlaggen of ideeën. In gevechtssituaties zag hij grenzen en nationale symbolen vervagen; overleven en vertrouwen in je directe omgeving bepalen gedrag veel meer dan een vaag nationaal gevoel. Historische voorbeelden, zoals verdeeldheid tijdens de Tweede Wereldoorlog en het misbruik van collectieve identiteiten in Bosnië, illustreren volgens hem dat nationale of Europese identiteit niet vanzelf mobiliseert en soms zelfs kan splijten.
De Mul maakt een onderscheid tussen het front en de samenleving. Aan het front tellen onmiddellijke, persoonlijke loyaliteiten; in de maatschappij daarentegen vormen gedeelde waarden en identiteiten de achtergrond waartegen mensen bepalen waarvoor ze willen opkomen. Hij beschrijft identiteit vandaag als vloeibaar en meervoudig: mensen identificeren zich tegelijk lokaal, regionaal, nationaal en Europees en "shoppen" vaak tussen verschillende verbondenheden. Dat maakt verbondenheid lichter, maar niet per se betekenisloos. Volgens De Mul is er wel een Europese grondstroom — een historisch gegroeid besef, gevormd door eeuwen van oorlog — dat macht relativeert, geweld wantrouwt en solidariteit legitimeert. Dit impliciete besef kan bij dreiging explicieter worden.
Beide gespreksvoerders benadrukken dat bewustzijn op zich onvoldoende is: waarden moeten in concrete daden worden omgezet. De Mul wijst op het belang van leiderschap en historische figuren die na de Tweede Wereldoorlog Europa hielpen verenigen; De Kruif vraagt zich af wie die hedendaagse leiders zijn die uitleggen welke offers samenwonen en veiligheid vergen. Geopolitieke ontwikkelingen — een minder voorspelbare VS, de Russische dreiging en politieke verschuivingen — zetten Europa volgens hen aan tot reflectie over autonomie en collectieve defensie. Dat kan beleidsmatige keuzes versnellen, zoals gezamenlijke schuldfinanciering of meer militaire integratie binnen de EU.
De Kruif waarschuwt dat zonder concrete solidariteit en verantwoordelijkheid identiteitsgevoelens op losse schroeven staan: sympathie zonder handelen vergaat. De Mul ziet in de huidige druk echter ook een kans: een externe dreiging kan latent gedeeld zelfbegrip activeren en zo de Europese identiteit verstevigen zonder te dwingen tot eenheidsstaat. Beide spreken voorzichtig optimistisch over de mogelijkheid dat geopolitieke nood Europa dwingt zijn waarden te expliciteren en in daden om te zetten — mits er leiderschap en maatschappelijke bereidheid zijn om verantwoordelijkheid te nemen.