Is klimaatcompensatie beter dan niets doen?
In dit artikel:
In grand café Dauphine in Amsterdam praten onderzoeksjournalist Mira Sys en vrijwillig boswachter Sjaak de Ligt bij over hun jarenlange betrokkenheid bij klimaatcompensatie. Sys publiceerde onlangs samen met Ties Gijzel het boek Wie betaalt mag vervuilen, waarin ze aan de hand van jarenlang onderzoek aantoont dat veel vormen van vervuilingscompensatie door overheden en bedrijven weinig opleveren of zelfs schadelijk zijn. De Ligt werkte decennialang in het veld: van Novib in de vroege klimaatdiscussie, via het in de jaren negentig opgerichte Face (een initiatief rond bosaanplant ter compensatie van kolencentrales) tot Trees for Travel, later Trees for All, waarvan hij tot eind 2017 directeur was.
Beide gesprekspartners herkennen successen en mislukkingen. Sys legt uit dat haar onderzoek tal van voorbeelden vond waarin beloofde effecten niet werden gehaald — soms zelfs met perverse uitkomsten, zoals projecten die meer nieuwe vervuiling veroorzaakten of lokale gemeenschappen benadelen en onteigenen. Ze stelt dat rond 80 procent van de wereldwijd verhandelde carbon credits waarschijnlijk niet doet wat ze beloven; de resterende 20 procent maakt compensatie alleen zinvol wanneer bedrijven eerst hun uitstoot flink reduceren. Bovendien wijst ze op ethische problemen: rijke landen die CO2 “uitplaatsen” naar arme landen onttrekken daar kansen en dragen een postkoloniaal risico.
De Ligt erkent tekortkomingen uit eigen ervaring: onder tijdsdruk en gefinancierd door elektriciteitsproducenten werden beslissingen te weinig kritisch getoetst, waardoor ook projecten met slechte sociale en ecologische gevolgen werden gesteund. Tegelijk gelooft hij pragmatisch dat compensatie nuttig kan zijn om tijd te winnen en lokale natuur te herstellen, mits correct ingericht. Voorwaarden die hij noemt zijn onder meer dat degene die bomen plant er zelf belang bij moet hebben ze te behouden, en dat reductie van uitstoot altijd voorrang moet krijgen op het kopen van credits. Hij verwijst naar de “ladder van Lansink”: eerst minder kopen en produceren, dan verduurzamen, en compenseren als laatste stap.
Beide spreken kritische taal over de marktwerking rond carbon credits: bedrijven zien compensatie vaak als excuus om hun gedrag niet wezenlijk te veranderen en zoeken wegen om kosten te minimaliseren; consultancygeld en tussenpersonen slokken soms veel van de middelen op. Sys pleit voor andere terminologie en aanpak: liever “contributieclaims” waarbij geld zonder recht op neutralisatie naar betrouwbare natuurprojecten gaat, en in elk geval eerst reductie wordt afgedwongen. Ze benadrukt ook dat meer bosaanplant op zich welkom is, maar alleen met de juiste uitvoerders en respect voor mensenrechten.
Als mogelijke oplossingen komen onafhankelijke beheerstructuren ter sprake: een (EU-)fonds of ontwikkelingsorganisatie die middelen beheert en direct kleinschalige, lokaal geteste projecten uitvoert zonder commerciële tussenpersonen. Dat maakt projecten duurder en levert minder rendement op, maar vergroot de kans op echte ecologische en sociale winst.
Tegelijk waarschuwen ze dat beleidsplannen — zoals de EU-aanpak waarbij gecompenseerd zou worden voor een deel van de uitstoot — zorgvuldig moeten worden geformuleerd om niet onbedoeld de beschikbare ruimte voor ontvangende landen te ondermijnen. Conclusie van het gesprek: compensatie kan onderdeel van het plaatje zijn, maar is geen vrijbrief; reductie, lokale betrokkenheid, onafhankelijke uitvoering en eerbied voor mensenrechten moeten altijd voorop staan.