Jan Willem Duyvendak: 'De intellectuele elite staat extreem zwak'
In dit artikel:
Jan Willem Duyvendak neemt na ruim dertig jaar afscheid als UvA‑hoogleraar sociologie en als directeur van NIAS; vrijdag houdt hij zijn afscheidsrede. Hij ervaart de verplichte pensionering als een vorm van “moeten” en paternalistische regelgeving, maar erkent ook dat het beschermend kan werken — zowel voor oudere wetenschappers die anders doorgaan als voor hun omgeving. Duyvendak (wordt 67 op 12 mei), domineeszoon en niet te verwarren met zijn broer Wijnand, zal het managen van het instituut minder missen dan het reflecteren op de samenleving.
NIAS, gevestigd in het Oost‑Indisch Huis bij de Amsterdamse Nieuwmarkt, biedt jaarlijks plaats aan zo’n vijftig internationale wetenschappers, schrijvers en kunstenaars die vijf maanden aan projecten werken. Steeds vaker zijn daar zogenaamde Safe Haven‑fellows bij — onder meer Oekraïners, Russen en Gazanen — die op het instituut veilig zijn voor arrestatie of bombardementen. Duyvendak wijst erop dat oorlogstrauma onder fellows de groepsdynamiek complex kan maken.
In zijn afscheidsrede wil hij scherp ingaan op recente discussies over de rol van wetenschap in de publieke arena. Als wetenschapper claimt hij formeel neutraliteit: meningen zouden niet het vertrekpunt van wetenschappelijk werk mogen zijn. Tegelijk maakt hij zich zorgen over de groeiende aanvallen van radicaal‑rechts op de pijlers van de liberale democratie — in landen als Hongarije en de Verenigde Staten en ook in Nederland — waarbij rechters, adviesorganen, media en wetenschappelijke instituten worden gediskwalificeerd. Die ondermijning van instituten heeft hem verbaasd en verontrust.
Duyvendak valt ook een recent boek aan dat sterke sociale verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden als soort verzuiling presenteert. Hij noemt die vergelijking misleidend: het aandeel hogeropgeleiden in de samenleving is sterk gegroeid, waardoor het relatieve gewicht van een diploma is afgenomen. Hij waarschuwt tegen het overschatten van persoonlijke ervaringen als maatstaf voor de werkelijkheid — bijvoorbeeld bij conclusies over migratie — en onderstreept dat beschikbare gegevens juist laten zien dat migranten grotendeels opgaan in de Nederlandse samenleving (bijvoorbeeld dat tweede‑generatie meisjes het in onderwijs vaak beter doen dan autochtone meisjes).
Politiek verklaart Duyvendak de aantrekkingskracht van radicaal‑rechts deels uit een “fear of falling”: relatief veel mensen hebben de afgelopen decennia vooruitgang geboekt en hebben dus iets te verliezen. Daarom pleit hij ervoor de verzorgingsstaat te versterken in plaats van af te breken. Hij bekritiseert links soms vanwege te pessimistische toon (bijvoorbeeld in verkiezingsprogramma’s) en wil dat linkse partijen trots claimen wat ze hebben bereikt.
Tot slot wijst Duyvendak op de verzwakte positie van de intellectuele elite: wetenschappers en journalisten worden makkelijk als partijdig bestempeld en daarom mijden velen het publieke debat. Dat ondermijnt de rol van kennis in de samenleving, een kernpunt van zijn zorg bij zijn afscheid.