Onafhankelijkheid centrale banken onder druk door Trumps aanvallen op Fed
In dit artikel:
De aanvallen van president Donald Trump op beleidsmakers van de Federal Reserve worden gezien als de grootste bedreiging in decennia voor de onafhankelijkheid van centrale banken — een pijler die wereldwijd wordt toegeschreven aan het temmen van inflatie en het waarborgen van financiële stabiliteit. Trump heeft onder meer gedreigd Fed-gouverneur Lisa Cook te ontslaan vanwege vermeende hypotheekkwesties en oefent druk uit op Fed-voorzitter Jerome Powell om de rente te verlagen. Deze stappen tasten de grenzen van de presidentiële macht ten opzichte van de Amerikaanse centrale bank af en wekken wereldwijd onrust bij centrale bankiers.
Historische context: de actuele geloofwaardigheid en onafhankelijkheid van centrale banken zijn vooral opgebouwd sinds de jaren tachtig, toen Fed-voorzitter Paul Volcker met hoge rentetarieven de inflatie terugdrukte. Sindsdien hebben meer dan honderd centrale banken — waaronder de Bank of England in 1998 — formele onafhankelijkheid gekregen, met als algemeen doel inflatie dicht bij circa 2% houden (soms naast een arbeidsmarktdoel, zoals bij de Fed). Die onafhankelijkheid gaf centrale banken de ruimte om rentebeleid in te zetten zonder directe regeringsinstructies.
De effecten zijn meetbaar. Een studie van het Centre for Economic Policy Research wijst uit dat landen die volledig overstapten naar onafhankelijke centrale banken een structurele daling van de jaarlijkse inflatie zagen van gemiddeld 3,7 procentpunt in rijke landen; in armere landen lag de daling op 10,3 procentpunt. Onafhankelijke centrale banken dragen daarnaast bij aan stabielere inflatieverwachtingen en minder risicovol gedrag van commerciële banken, omdat het publiek en beleggers vertrouwen hebben dat de inflatie onder controle wordt gehouden.
Praktische gevolgen van Trumps druk werden meteen zichtbaar op de markten: sinds de aankondiging over Cook stegen de risico-opslagen op Amerikaanse staatsobligaties; de tienjaarsrente klom met 2,5 basispunt naar 4,30%. Experts waarschuwen dat directe politieke inmenging de geloofwaardigheid van de Fed kan ondermijnen en tot hogere financieringskosten kan leiden.
Tegelijkertijd hebben centrale banken in recente crises actief gecoördineerd met regeringen — bijvoorbeeld via massale aankoopprogramma’s van staatsobligaties en andere activa na de financiële crisis en tijdens de pandemie. Dat was cruciaal om markten te stabiliseren en in Europa leidde het onder meer tot Mario Draghi’s beruchte inzet om de euro te redden met zijn "whatever it takes"-uitspraak. Maar deze krachtige rol veroorzaakte ook kritiek: kwantitatief versoepelen droeg bij aan stijgende prijzen van aandelen, obligaties en vastgoed en vergrootte mogelijk economische ongelijkheid, waardoor politici meer geneigd raken om controle te zoeken over monetaire macht.
Economische leiders en onderzoekers, waaronder voormalig IMF-hoofdeconoom Maurice Obstfeld, waarschuwen dat het aantasten van centrale bankonafhankelijkheid ernstige gevolgen kan hebben voor prijsstabiliteit en de reputatie van technocratische instellingen. In landen waar centrale banken nog sterk door regeringen worden beïnvloed — zoals sommige opkomende markten — blijft de inflatie vaak hoger en volatieler, een risico dat deskundigen vrezen ook in de Verenigde Staten te zien terugkeren als de politieke druk voortduurt.