Moet ecocide strafbaar gesteld worden? 

dinsdag, 21 april 2026 (06:19) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

Wereldwijd groeit de druk om ecocide — grootschalige, opzettelijke en vaak onomkeerbare schade aan ecosystemen — strafbaar te stellen. België, Frankrijk, Oekraïne, Vietnam en Chili hebben zulke misdrijven al in hun strafrecht opgenomen en recent stemde ook Schotland voor strafbaarstelling. In Nederland diende Lammert van Raan (PvdD) eind 2023 een wetsvoorstel in dat ecocide als zelfstandig delict wil opnemen, met straffen tot vijftien jaar cel, hoge boetes en persoonlijke vervolging van leidinggevenden; het wetsvoorstel ligt nog in de Tweede Kamer.

In Amsterdam voerde Van Raan een debat met ondernemingsstrafrechtadvocaat Monique van der Linden (Stibbe). Van Raan betoogt dat het strafbaar stellen van ecocide moreel en juridisch noodzakelijk is: het zou het milieu als een op zich staand belang erkennen, internationale ontbossing en door Nederlandse investeringen gefinancierde milieuschade kunnen aanpakken en een signaal afgeven dat grootschalige natuurvernietiging onacceptabel is. Hij verwijst onder meer naar toezichtstekortrapporten van de Algemene Rekenkamer en noemt voorbeelden waarin vergunningen bedrijven schijnbaar vrijwaren terwijl milieuschade voortduurt.

Van der Linden erkent de urgentie van klimaat- en milieubescherming, maar twijfelt of het strafrecht hiervoor het juiste instrument is. Ze wijst op ernstige rechtsstatelijke bezwaren die ook door de Raad van State, het College van procureurs‑generaal en de Raad voor de rechtspraak zijn geuit: het wetsvoorstel bevat open normen — termen als ‘wijdverbreid’, ‘langdurig’ en ‘ernstig’ — waardoor niet duidelijk zou zijn welk gedrag strafbaar is. Ook vreest ze dat het schrappen van de huidige administratieve afhankelijkheid kan betekenen dat bedrijven die handelen binnen een verleende vergunning toch strafrechtelijk vervolgd worden, wat de voorspelbaarheid van het recht ondermijnt. Daarnaast noemt ze de recente Omgevingswet (inwerkingtreding 1 januari 2024), die volgens haar al instrumenten bevat om grote milieumisstanden strafrechtelijk te bestraffen, en wijst op praktische belemmeringen zoals handhavingstekorten.

Beide kanten benadrukken verschillende prioriteiten: Van Raan wil met wetgeving een juridische en morele omslag afdwingen en noemt voorbeelden van andere landen waar die koers al is ingezet; Van der Linden legt de nadruk op rechtszekerheid, proportionaliteit en de risico’s van onbedoelde juridische effecten. Ook wijzen zij erop dat buitenlandse ecocidelessen niet één-op-één op Nederland te plakken zijn — sommige wetten zijn veel beperkter van opzet.

Van Raan zegt vastberaden dat, als dit voorstel strandt, er alternatieve wetsvormen zullen volgen. De discussie draait daarmee niet alleen om strafmaatregelen, maar om fundamentele vragen over hoe de samenleving milieu-ethiek, handhaafbaarheid en rechtsstatelijke helderheid naast elkaar wil laten bestaan.