Opsteker voor Greenpeace in conflict met Amerikaans energiebedrijf
In dit artikel:
De rechtbank Amsterdam heeft in een tussenvonnis uitgesproken dat zij wél bevoegd is om een procedure te behandelen tussen Greenpeace en het Amerikaanse olie- en gasbedrijf Energy Transfer. Daarmee veegt de rechtbank het verweer van Energy Transfer weg dat de zaak uitsluitend in de Verenigde Staten thuishoort; omdat Greenpeace haar hoofdkantoor en het centrum van haar belangen in Amsterdam heeft, mag de zaak hier worden gevoerd. De rechter constateerde ook dat Greenpeace Nederland door het conflict financiële schade lijdt.
De juridische confrontatie draait om protesten tegen de aanleg van een 3.000 km lange oliepijpleiding (onder andere langs een beschermd reservaat in North Dakota) in 2016–2017. Energy Transfer beweert dat Greenpeace die demonstraties heeft gefaciliteerd en stapt daarop naar de rechter wegens smaad en laster, met miljoenenclaims tot gevolg. In de VS legde een jury vorig jaar aanvankelijk $667 mln op aan schadevergoeding; een rechter halveerde dat uiteindelijk tot $345 mln (€292 mln). Greenpeace waarschuwde dat dit bedrag de organisatie failliet kan maken en bestempelt de procedure als een SLAPP-zaak: strategische rechtszaken bedoeld om activisten de mond te snoeren.
Na een zitting op 16 april bestond onduidelijkheid waar de zaak kan worden uitgevochten; met dit tussenbesluit gaat de Amsterdamse inhoudelijke behandeling door en wees de rechtbank een verzoek van Energy Transfer tot opschorting af. Energy Transfer heeft tot 15 juli om schriftelijk te reageren. Greenpeace zegt de Nederlandse procedure te willen gebruiken om precedent te scheppen tegen het inzetten van intimidatieprocedures en zal daarnaast in de VS blijven procederen, zo nodig tot het hooggerechtshof van North Dakota. De uitspraak is voor Greenpeace een belangrijke stap in de strijd tegen wat zij ziet als misbruik van het recht door grote bedrijven.