Over ons bewustzijn is opvallend weinig bekend: 'De wetenschap krijgt te vaak het laatste woord'
In dit artikel:
Michael Pollan, de 71‑jarige Amerikaanse schrijver en hoogleraar wetenschapsjournalistiek aan UC Berkeley, was in Amsterdam om zijn nieuwste boek A World Appears voor te stellen. Op weg van de universiteitscampus naar het interview werd hij twee keer herkend: een voorbijganger bedankte hem omdat Pollans werk hem naar een studie psychologie had gebracht, een ander vertelde dat Pollans eerdere bestseller How to Change Your Mind hem had overgehaald psychedelica te proberen — een voorbeeld van het wereldwijde ‘Pollan‑effect’ sinds het boek (2018) en de bijbehorende Netflix‑documentaire.
In A World Appears probeert Pollan het raadsel van bewustzijn te raken: waarom ervaren we de wereld zoals we doen en hoe ontstaat subjectieve beleving uit materie? Hij schetst hoe de westerse wetenschap eeuwenlang afstand hield van dit thema omdat het niet makkelijk in meetbare eenheden zoals atomen of moleculen te vatten is — het domein dat na Galileo lang aan priesters en dichters werd overgelaten. Pas vanaf de jaren negentig kwam het onderwerp weer op de wetenschappelijke en filosofische agenda; Pollan noemt de 1995‑lezing van David Chalmers over het ‘moeilijke probleem van bewustzijn’ als cruciaal onderscheid tussen verklaringen van functies (leren, geheugen, perceptie) en het nog onbeantwoorde waarom die functies gepaard gaan met innerlijke ervaring.
Pollan betoogt dat bewustzijn evolutionair verklaard kan worden als instrument om complexe, niet‑automatiseerbare situaties aan te pakken, vooral sociaal gedrag: het vermogen om anderen te lezen, in hun hoofd te kruipen en toekomstige scenario’s te voorspellen. Tegelijk erkent hij dat die verklaring het fenomeen zelf niet opheft. Bewustzijn definieert hij primair als subjectieve ervaring — er is iets‑dat‑het‑is om een wezen te zijn — en hij verwelkomt de hedendaagse tendens om die ervaring ook aan veel zoogdieren, vogels en zelfs octopussen toe te schrijven.
Een belangrijk onderdeel van zijn betoog is belichaming: bewustzijn hangt samen met een lichaam. Daarom is hij sceptisch dat huidige computers, opgebouwd uit gescheiden hardware en software op basis van silicium, werkelijk bewuste wezens kunnen worden. Robots blinken uit in abstracte taken maar falen nog in basale, lichamelijke vaardigheden — en het loskoppelen van ‘denken’ en ‘vlees’ ondermijnt volgens hem het ontstaan van gevoel. Bovendien waarschuwt Pollan voor de sociale gevolgen wanneer mensen emotionele banden met machines aangaan; de neiging tot antropomorfiseren kan verwarring en zorgelijke verschuivingen in relaties veroorzaken.
Pollan pleit ook voor epistemische bescheidenheid: wetenschap is krachtig maar niet de enige manier van weten; cultuur en filosofie leveren soms eerder inzichten over bewustzijn. Hij sluit af met waardering voor het mysterie: volledig doorgronden van bewustzijn zou een enorme wetenschappelijke omwenteling vergen, maar de zoektocht zelf vergroot ons besef en behoudt verwondering over iets dat we vaak vanzelfsprekend vinden.