PhD-student Nadine kocht zonder geld 'lichtzinnig' een grachtenpand van €7,25 mln
In dit artikel:
Nadine, begin dertig en promovendus met een jaarinkomen van ongeveer €25.000, kocht op 8 oktober een grachtenpand in Amsterdam voor €7,25 mln. Twee weken later had ze niet betaald; verkoper Hans en zijn echtgenoot stelden haar in gebreke en eisten de gebruikelijke boete van 10% van de koopprijs (ongeveer €725.000). Nadine claimde geen vermogen en vroeg via e-mail of de verkopers van de boete wilden afzien; ze stelde later dat ze zich had laten meeslepen door de droom van het huis en dat er een mede-investeerder zou meefinancieren — wie dat was en waar het geld vandaan zou komen bleef onduidelijk.
Hans voerde aan dat hij en zijn makelaar het vermogen van Nadine expliciet hadden nagevraagd, en dat zij had gezegd dat familie in Duitsland €9 mln op de bank had, zodat zij volgens hem wist wat ze deed. Omdat Hans al een nieuwe woning had gekocht en de verhuizingen op elkaar afgestemd waren, leed hij volgens zijn advocaat financiële schade; bovendien was het huis vlak voor het kort geding alsnog verkocht voor €6,875 mln, een verlies van €375.000 ten opzichte van de oorspronkelijke prijs, wat mogelijk op Nadine verhaald kon worden.
Nadine liet zich bijstaan door een door de overheid gefinancierde advocaat, die betoogde dat zij in een naïeve, kwetsbare en onervaren positie verkeerde en dat een torenhoge boete tegen een student zonder vermogen buitensporig zou zijn. De rechter vroeg Nadine tijdens de zitting onder meer waarom ze de koop had gesloten, waarop zij verwees naar een vermeende mede-investeerder en plannen om het pand te combineren met werkactiviteiten; concrete bewijsvoering hiervoor ontbrak.
De rechter oordeelde dat de verwijzingen in de koopakte onvoldoende concreet waren om vast te stellen dat een boete daadwerkelijk contractueel was overeengekomen. Ook kon Nadines latere e-mail niet bewijzen dat zij bij de koop op de hoogte was van de boete. Verder was niet aangetoond dat Hans door haar terugtrekking in financiële nood verkeerde, zodat er geen spoedeisend belang voor het kort geding bestond. De vordering van Hans werd daarom afgewezen; hij kreeg ook geen schadevergoeding voor het lagere verkoopbedrag. Hans moet de proceskosten van €1.375 voldoen; Nadine hoeft niets te betalen.
De rechter had beide partijen nog aangemoedigd te schikken, maar dat mislukte. De zaak illustreert de risico’s van grote vastgoedtransacties, het belang van duidelijke contractuele afspraken en de vraag wanneer een koper zodanig onervaren is dat een boetebeding niet kan worden gehandhaafd.