Regio en gender nog altijd bepalend voor latere kansen in onderwijs

woensdag, 15 april 2026 (14:34) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

De Inspectie van het Onderwijs stelt in haar jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs dat de regio waar kinderen opgroeien sterk bepalend blijft voor hun schoolloopbaan en latere kansen. Regionale verschillen verschijnen al bij peuters: deelname aan voorschoolse educatie (voor 2,5–4‑jarigen met risico op achterstand) is in de Randstad en op het platteland lager dan gemiddeld; in de Randstad bereikt die vorm van opvang 74% van risicopeuters, in matig stedelijke gebieden ongeveer 80%.

Ook bij de overgang van de basisschool ontstaan verschillen door schooladviezen. In zeer stedelijke gebieden worden adviezen vaker bijgesteld; in minder stedelijke gebieden blijven sommige leerlingen daardoor mogelijk op een lager traject terechtkomen. De doorstroomtoets, die in schooljaar 2023/2024 werd ingevoerd om ongelijkheid tegen te gaan (scholen moeten hun advies omhoog bijstellen als de toets een hoger advies geeft), corrigeert die verschillen niet volledig: meisjes, kinderen met migratieachtergrond en plattelandsleerlingen worden nog steeds structureel anders beoordeeld — meisjes krijgen ondanks gemiddeld hogere testscores minder vaak een havo‑vwo‑advies dan jongens.

De verschillen houden aan in het voortgezet onderwijs en daarna. In Zeeland en het noorden en oosten van Nederland kiezen relatief meer vwo‑leerlingen voor een hbo‑opleiding, terwijl stapelen van diploma’s juist vaker voorkomt in de Randstad, in kansrijke wijken en op brede scholen. Zulke uiteenlopende loopbanen hebben gevolgen op de arbeidsmarkt: jongeren die stapelen of een kwetsbare positie hebben, scoren meestal minder goed.

Verder blijft de onderwijskwaliteit onder druk. Schoolprestaties dalen vooral in het voortgezet onderwijs en het mbo; in het primair onderwijs zijn ze min of meer stabiel maar nog altijd scoort circa één op de vijf scholen onvoldoende of zeer zwak. Bij bijna de helft van de mbo‑opleidingen is de beoordeling onvoldoende. Basisvaardigheden geven reden tot zorg: in de onderbouw van het voortgezet onderwijs nemen leesvaardigheid en woordenschat af, en rekenvaardigheid bij tieners verslechtert nog sterker.

De inspectie wijst op de cruciale rol van schoolleiders, die door hoge werkdruk en een breed takenpakket te weinig kansen hebben om de kwaliteit te bewaken en te verbeteren. Besturen moeten hen beter ondersteunen zodat zij zich op de kerntaak kunnen richten. Zoals inspecteur‑generaal Alida Oppers het formuleert: “Goed onderwijs ontstaat waar schoolleiders en leraren goed oog houden op de kwaliteit van het onderwijs en bijstellen waar die tekortschiet.”