Rijksbouwmeester: 'Het is een wonder dat we jaarlijks 80.000 huizen bouwen'

vrijdag, 23 januari 2026 (11:05) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

Francesco Veenstra, 52 jaar en medeoprichter van Vakwerk Architecten, zit in zijn laatste maanden als Rijksbouwmeester; in september stopt hij na een ambtstermijn van vijf jaar. Vanuit zijn kantoor bij het ministerie van Financiën bespreekt hij hoe de rol van Rijksbouwmeester de afgelopen jaren is uitgegroeid van puur rijksgebouwen naar breed ruimtelijk en maatschappelijk advies. Samen met twee andere Rijksadviseurs behandelt hij urgente ruimtelijke conflicten: de woningnood, geluid en ruimtelijke druk rond Schiphol, en de snelle expansie van datacenters, kassen en logistieke hallen.

Veenstra waarschuwt dat de strijd om schaarse ruimte steeds vaker tot belangenconflicten leidt tussen burgers, bedrijven en overheden. Hij pleit voor scherpere keuzes van een nieuw kabinet, met minder nadruk op nieuwbouw en meer op volksgezondheid en leefbaarheid. Volgens hem wordt de verdeling van ruimte te vaak in het voordeel van economische activiteiten beslist, ten koste van omwonenden — denk aan Tata Steel, geitenhouderijen bij woonwijken en omvangrijke kassen in het Westland. Hij noemt zorg over mogelijk verband tussen pesticidengebruik en hogere Parkinson-incidentie in die regio als voorbeeld waarom gezondheid zwaarder moet meewegen.

De afgelopen jaren probeerden kabinetten de regie over ruimtelijke ordening en woningbouw terug te halen na jarenlange verschuiving van bevoegdheden naar markt, provincies en gemeenten; het grote richtsnoer daarvoor is de concept-Nota Ruimte. Die moet antwoord geven op hoe Nederland ruimte houdt voor wonen, klimaatadaptatie, landbouw en defensie-uitbreidingen, terwijl de bevolking tot 2050 mogelijk met 2 miljoen groeit. Veenstra constateert dat in de conceptversie nog ‘achterdeurtjes’ zitten, onder meer rond stikstofreductie, en benadrukt dat sectoren als landbouw, bouw en energie hun uitstoot echt moeten verminderen — niet alleen vanwege Brussel, maar voor welvaart en volksgezondheid.

Hij schetst waarom ruimtelijke regie complex is: na het opheffen van het ministerie van VROM in 2010 kost het tijd om nieuw beleid en verhaal te ontwikkelen, en als het Rijk nu weer meer zeggenschap opeist, stuit dat op weerstand. Bouwen vraagt steeds brede afstemming tussen veel partijen; daardoor is het verwonderlijk dat Nederland jaarlijks al 70.000–80.000 woningen oplevert. De kernvragen zijn volgens hem: voor wie en waar bouwen we, hoe robuust zijn projecten tegen arbeids- en financiële schokken, en wat betekent klimaatverandering voor locatiekeuze?

Veenstra is geen pleitbezorger voor het massaal afschaffen van regels: voorschriften beschermen lucht, bodem en water, de gezondheid en brandveiligheid van gebouwen. Wel erkent hij dat regelgeving kosten toevoegt. Bij nieuwbouw waarschuwt hij dat keuzes nu woningen voor een eeuw bepalen; ontwerp en landschappelijke inpassing blijven belangrijk.

Operationeel pleit Veenstra voor een andere focus: veel sneller woningcapaciteit vinden in bestaande voorraad. Hij wijst op grote potentie van woningsplitsing, optoppen en woningdelen — vooral in rijtjeswoningen (ongeveer 42% van de voorraad). Volgens zijn berekening zou aanpassing van 5% van de bestaande woningen het huidige statistische tekort van circa 400.000 woningen grotendeels kunnen oplossen. Wel benadrukt hij dat splitsen niet overal wenselijk is; gemeenten moeten in sommige wijken eerst knelpunten zoals parkeerdruk en voorzieningen aanpakken, en vaak is de huidige houding “splitsen mag niet – tenzij”.

Voor de langere termijn blijven grootschalige gebiedsontwikkelingen nodig, maar die hebben lange doorlooptijden en leveren niet snel extra woningen op. Daarom moet beleid voorspelbaar zijn en moet de overheid klaarstaan om de bouw te ondersteunen bij marktstoten — bijvoorbeeld met garantstellingen of tijdelijke belastinguitstel voor bouwbedrijven — maatregelen die weinig effect op de begroting hebben in tegenstelling tot directe subsidies.

Veenstra ziet hoop in beleidsmatige verschuiving van puur woningmarktdenken naar bredere volkshuisvesting: symbolisch vindt hij de hernoeming van Keijzers ministerie terug naar Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Hij concludeert dat Nederland zijn ruimtelijke keuzes explicieter moet maken, zodat economie, gezondheid en natuur beter in balans komen.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: In de Wandelgangen: Staan Hélène Hendriks en Jeanneau van Beurden open voor Boxing Stars?