Roxane van Iperen: 'Big tech maakt fruitvliegjes van onze kinderen'
In dit artikel:
Schrijfster Roxane van Iperen waarschuwt in haar essay Ik zie wat ik geloof (geschreven voor de Maand van de Filosofie) dat het digitale universum op onze telefoons een reëel gevaar vormt voor samenleving en democratie. Volgens haar sleurt het algoritmisch aangedreven aanbod kinderen en volwassenen in gepersonaliseerde ‘rabbit holes’ zonder toezicht of gemeenschappelijke context; waar vroeger tv-programma’s maatschappelijke gesprekken en gedeelde verhalen opleverden, biedt het huidige aanbod alleen flarden en prikkels die gericht zijn op het vasthouden van aandacht en winstmaximalisatie.
Van Iperen, moeder van drie tieners en twintigers, vertelt dat ook haar kinderen op jonge leeftijd in aanraking kwamen met porno en gewelddadige beelden en dat algoritmes zelfs bij zelfbewuste, feministisch opgevoede jongeren vaak regressieve rolbeelden of radicale influencers als Andrew Tate naar voren schuiven. Dat illustreert volgens haar de kenniskloof en gevoelskloof tussen generaties: jongeren groeien op in gepersonaliseerde spiegelpaleizen waarin eerdere opvattingen steeds worden bevestigd, waardoor tolerantie en confrontatie met afwijkende meningen afnemen.
Centraal in het essay staat de kritiek op de macht van technologiebedrijven en extreem rijke investeerders. Van Iperen noemt Palantir en Peter Thiel als voorbeelden van partijen die technologie inzetten voor massale surveillancedoeleinden (bijvoorbeeld het opsporen van migranten via ICE) en schetst een zorg over een kleine superrijke bovenlaag die buiten de nationale democratische controle opereert. Deze private vermogens en hun invloed, zegt ze, kunnen zelfs politieke conflicten en oorlogen beïnvloeden en zijn niet te reguleren via traditionele nationale mechanismen.
Volgens Van Iperen is het verdienmodel van grote platforms niet samenzweerderig maar consequent: aandacht maximaliseren door emotie en outraged content, omdat dat het meeste oplevert. Dat proces ondermijnt de gemeenschappelijke zoektocht naar waarheid die democratie vereist, en maakt maatschappelijke problemen lastig aan te pakken omdat ze grensoverschrijdend en door mondiale spelers veroorzaakt worden. Ze gebruikt de metafoor van een panopticon: iedereen zit in een apart, door algoritme gevormd hokje terwijl de persoonlijke data als bron wordt leeggezogen.
Toch is Van Iperen niet technologiekritisch in absolute zin: ze erkent het nut van navigatie, goedkoop winkelen en gemakkelijke diensten. Haar pleidooi is genuanceerd: benoem en beperk schade, en bespreek de institutionele grenzen van democratie en regulering. Ze suggereert dat politieke interventie mogelijk is en roept op tot nadenken over welke aspecten van de huidige orde we willen behouden en welke schadelijk zijn voor de gemeenschap.
Ten slotte relativeert ze doemscenario’s door te wijzen op de afhankelijkheid van AI van menselijke input: taalmodellen voeden zich met flinterdunne, westerse gegevens en lopen uiteindelijk tegen grenzen aan als die bron droogvalt. Menselijkheid blijft volgens haar de bron van kunstmatige intelligentie, wat ruimte biedt voor remediëring en hoop. Van Iperen sluit af met een pleidooi voor actie en debat: het essay is een comma, geen eindpunt — oproepend tot meer onderzoek en beleidsaanpassing om te voorkomen dat winstgedreven technologie de democratische leefwereld uitholt.