Steven Wilson: 'AI steelt emoties, de ziel uit andere muziek'
In dit artikel:
In zijn huis aan de uiterste noordrand van Londen ontvangt Steven Wilson, de 58‑jarige Britse progrocker die vaak als erfgenaam van Pink Floyd wordt gezien, de FD voor een gesprek in zijn compacte maar hoogtechnische studio. Een klein chaosmoment met zijn chihuahua Bowie — die even het opnameapparaat kaapte — geeft meteen een menselijk beeld van de perfectionistische kunstenaar die ook gewoon huisvader is.
Wilson bouwde zijn carrière op als frontman van Porcupine Tree (oorspronkelijk begonnen als grap in 1987) en later als succesvol solo‑artiest; zijn eerste soloplaat verscheen in 2008, het meest recente bandalbum dateert van 2022 en solo‑werk zoals The Overview (maart 2025) toont zijn neiging tot lange, uitgewerkte conceptstukken met ruimtelijke thema’s. Hij mixt prog, metal, complexe ritmes en emotioneel beladen melodieën, en bereikt daarmee een trouwe, volwassen fanbase. Live‑optredens zijn zorgvuldig opgebouwd — vorig jaar stond hij in AFAS Live, dit najaar geeft hij twee shows in de Royal Albert Hall met orkest en koor — maar grootschalig toeren staat op dit moment niet op de agenda.
Een van Wilsons belangrijkste zorgen is de hedendaagse luistercultuur. Hij hekelt compressie door streamingdiensten omdat die dynamiek en detail uit nummers knijpt, en verkoopt daarom hoogwaardige, onvervaagde mixen via zijn eigen winkel Headphone Dust — een individuele track- en albumervaring die hij bewust buiten de stroom van goedkope streams plaatst (prijzen van zijn audiovariant: circa €23). Tegelijk wijst hij op de dominantie van korte aandachtsspannes: nummers moeten instant hooken, solos en langere opbouwen worden zelden beloond. Als pas opkomend artiest zou hij nu vermoedelijk nergens tussen komen, vermoedt hij.
Nog indringender is zijn angst voor AI in de muziek. Met tools zoals Suno die ruwe demo’s automatisch oppoetsen tot radioklare songs, ziet Wilson een dreiging voor emotionele authenticiteit: AI reproduceert stijlen en “steelt” ziel en idiosyncrasieën uit bestaand werk. Daarom werkt hij aan een plaat die bewust “anti‑AI” is — handmade, met menselijke foutjes, imperfecties en hoorbare vingerafdrukken van spelers. Soms laat hij muzikanten expres klungelen op instrumenten of gebruikt ongebruikelijke technieken om die menselijkheid en onvolkomenheid vast te leggen: het resultaat moet klinken alsof het is opgenomen met levende lichamen, niet gegenereerd door algoritmes. Hij noemt het streven naar “cinema for the ears”: rijke, narratieve luisterervaringen die niet van een formule zijn te “remixen”.
Wilson’s muzikale wortels liggen in de jeugd: een vader‑elektronicus die hem toestond te experimenteren, en albums als Pink Floyds The Dark Side of the Moon die zijn verbeelding aanwakkerden. Zijn smaak is melancholisch en literair beïnvloed — Joy Division, David Lynch, Kafka — maar persoonlijk omschrijft hij zichzelf als relatief emotioneel stabiel; zijn muziek functioneert deels als uitlaatklep. Hij verveelt zich snel en weigert in herhaling te vallen; daarom varieert hij constant in stijl en productie.
Naast componeren en optreden produceert Wilson remixes van progklassiekers (Pink Floyd, Yes) en presenteert hij een radioprogramma. In zijn studio — vol synthesizers, gitaren en recent een kostbare remake van een Korg uit 1977 — werkt hij minutieus aan arrangementen, waarbij elke “blokjes‑bewerking” net zo belangrijk is als de performance zelf. Voor fans belooft hij nieuw werk dat zowel de menselijke imperfectie als luisterdiepgang terugbrengt in een tijd van gestroomlijnde en geautomatiseerde muziekproductie.