Taylor Swift kan vragen wat ze wil voor een kaartje, maar anderen ook?
In dit artikel:
Live Nation-ceo Michael Rapino stelde vorig jaar dat concertkaartjes te goedkoop zijn, wat heftige kritiek opleverde en het fundamentele dilemma in de muziekindustrie blootlegde: toegankelijkheid van cultuur versus winstmaximalisatie. Rapino’s opmerking — dat hoge prijzen voor sportevenementen normaal gevonden worden maar voor popsterren kant noch wal raakt — zette artiesten, managers en brancheorganisaties ertoe aan het probleem te bespreken.
Het spanningsveld spitst zich toe tussen de absolute supersterren en de rest van het veld. Volgens Boris van der Ham (voorzitter Vereniging van Evenementenmakers) kunnen acts als Taylor Swift, Lady Gaga en Harry Styles vragen wat ze willen omdat de vraag hun aanbod ver overstijgt. S&P Global spreekt van ‘funflation’: fans accepteren recordprijzen voor unieke live-ervaringen. Grote tours zijn extreem winstgevend — Swift’s Eras-tour bracht naar schatting meer dan $2 mrd op — maar daardoor worden die shows voor een groot deel van het publiek onbetaalbaar.
Hogere prijzen hebben gevolgen voor het middensegment en de onderkant van de markt. Journaliste Malou Miedema (3voor12) wijst erop dat duurder worden in het lagere prijsspectrum ontdekkingen van nieuwe artiesten belemmert: consumenten geven hun budget één keer uit en kiezen dan eerder voor de megatour dan voor een onbekende band. Dat remt doorstroom en doorbraakkansen binnen het ecosysteem.
Er bestaan uiteenlopende benaderingen om die spanning te adresseren. Manager Froukje Bouma (manager van zangeressen zoals Froukje en S10) laat zien dat populariteit en betaalbaarheid gecombineerd kunnen worden: voor recente Ziggo Dome-concerten zijn bewust geen duurdere golden-circle-kaarten ingevoerd om jonge en loyale fans niet uit te sluiten. Bouma stelt dat hogere prijzen mogelijk zijn, maar dat daarmee automatisch groepen mensen worden buitengesloten.
Age Versluis (head of touring, Friendly Fire) juicht zulke keuzes toe maar pleit voor gerichte oplossingen: beschikbaarheid van een kaartcategorie voor lage inkomens (zoals sommige internationale acts al doen) heeft volgens hem meer zin dan structureel lagere prijzen. Hij benadrukt ook dat concerten vaak ondergewaardeerd zijn gezien de unieke aard ervan en de vele betrokken werkers — van technici tot barpersoneel — en vindt dat de sector zich meer mag gunnen qua opbrengsten.
Tegelijk waarschuwt Berend Schans (directeur Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals) dat veel podia financieel in zwaar weer zitten: het aandeel zalen dat verlies draait steeg van 38% in 2023 naar 58% in 2024, en 71% verwacht in 2025 negatief te sluiten. De belangrijkste oorzaak is dat kosten sneller stijgen dan inkomsten; simpelweg ticketprijzen verhogen is volgens hem geen houdbare oplossing omdat veel poppodia stichtingen zijn met een publieke opdracht: talentontwikkeling, diversiteit en toegankelijkheid. Prijsverhogingen kunnen direct leiden tot verschraling van programmering en uitsluiting van jong publiek en mensen met lagere inkomens.
Samenvattend: de markt voor live-muziek polariseert. Aan de ene kant staat een kleine groep supersterren die exorbitante prijzen kan afdwingen en daarmee enorme inkomsten genereert; aan de andere kant staat een breed palet van podia en artiesten die afhankelijk zijn van betaalbare toegang om talent te ontwikkelen en publiek te binden. Mogelijke routes om beide belangen te combineren die in de sector worden genoemd: gerichte kortingscategorieën voor lage inkomens, behoud van betaalbare ticketopties voor jonge fans, en bewust programmeren door podia en managers om zowel publiekstrekkers als opkomende acts te blijven faciliteren. De uitdaging is een evenwicht vinden waarbij zowel de economische houdbaarheid van de sector als de culturele toegankelijkheid gewaarborgd blijven.