Uit het dagboek van John Evelyn
In dit artikel:
In de archieven van het Hunterian Museum in Londen vond de auteur — tijdens research voor zijn roman Tandenjager — per toeval drie ooit uit John Evelyns dagboek gescheurde bladzijdes, verkeerd geclassificeerd. Het gaat om notities van 27, 28 en 30 oktober 1667. Evelyn (1620–1706), zelf verzamelaar en wetenschappelijk georiënteerd, beschrijft daarin diepe nachtmerries en hallucinaties rond een serie wandpanelen die hij jarenlang in zijn studeerkamer had hangen: anatomische “tafels” waarop aders, slagaderen en zenuwbanen als takken in mensvorm waren opgezet. Die pronkstukken had hij in 1646 in Italië gekocht; in een aantekening van 31 oktober vermeldt hij dat hij ze – inmiddels 47 jaar oud – aan de Royal Society heeft geschonken.
De notities schilderen een onrustig beeld. Evelyn blikt terug op zijn Italiaanse jaren in Venetië en Padua — van carnavalsgeweld en publieke executies tot anatomische colleges bij een navolger van Vesalius — en verklaart dat zijn fascinatie voor botanie en geneeskunde hem ertoe bracht de panels te laten prepareren. Maar jaren later blijken precies die kunstmatig geconserveerde lichamen hem te achtervolgen: ’s nachts komen ze tot leven in zijn dromen, wurmen zich om zijn ledematen, laten onverklaarbare striemen achter en maken slapen onmogelijk. Uit angst dat lijf en ziel door de tafels worden bezet, en in wanhoop om rust, stuurt hij een bericht naar de Royal Society en draagt hij de objecten over—een daad die in de teruggevonden fragmenten als een biechtschrift klinkt.
De vondst verklaart waarom Evelyn afstand deed van zijn pronkstukken, maar de moderne vinders en de auteur blijven sceptisch over bovennatuurlijke interpretaties. Twee plausibele alternatieven worden genoemd: een psychische crisis of hallucinaties door medicatie. Evelyn, als botanicus bekend met plantengeneeskunde, gebruikte mogelijk laudanum (opiumtinctuur), een veelgebruikt middel in die tijd; daarnaast kunnen angst en nachtmerries de beleving hebben versterkt.
Contextuele notities in het artikel verbinden verleden en heden. De tafels van Evelyn zijn nu in het Hunterian Museum achter glas te zien en trekken ook hedendaagse makers aan: regisseur Guillermo del Toro liet ze verzekeren en op de set van zijn Frankenstein-film gebruiken, en rapporteerde zelf gevoelens van benauwdheid en een onaangename sfeer tijdens zijn verblijf. De auteur plaatst dergelijke anecdotes naast persoonlijke herinneringen (onder meer een verblijf in het beruchte Stanley Hotel, waar andere gasten stemmen van kinderen hoorden maar hijzelf niets ervoer) om te tonen hoe divers ervaringen met ‘het bovennatuurlijke’ kunnen zijn en hoe suggestie en context perceptie sturen.
Belangrijke namen en plaatsen: John Evelyn (17e-eeuwse dagboekschrijver en verzamelaar), de Royal Society (ontvanger van de tafels op 31 oktober 1667), anatomisten als Vesalius en diens navolger Veslingius in Padua, het Hunterian Museum (Hackenbury/John Hunter-collectie) waar de objecten en de nu teruggevonden notities terechtkwamen, en Guillermo del Toro als hedendaagse filmmaker die de panelen gebruikte. De notities zelf geven direct inzicht in Evelyns subjectieve beleving van angst en lichamelijke aantasting, maar bieden weinig objectief bewijs voor bovennatuurlijke bewoordingen; de auteur concludeert daarom dat een medische of psychotische verklaring waarschijnlijker is.
Kortom: de vondst is zowel een mooi historisch detail voor wie Evelyn en vroegmoderne wetenschap bestudeert als een aanleiding tot nadenken over limieten tussen wetenschap, kunst en het onbehagen dat oude objecten bij hun bezitters kunnen oproepen. De tafels blijven intrigeren — wetenschappelijk, esthetisch en soms zelfs onheilspellend — en dragen daarmee het ambivalente erfgoed van anatomie en curiositeit door de eeuwen heen.