Waarom het afstorten van een ODV in een lijfrente interessant kan zijn

dinsdag, 6 oktober 2026 (09:13) - Banken.nl

In dit artikel:

Veel directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) hebben hun vroegere pensioen in eigen beheer tussen 1 april 2017 en 31 december 2019 omgezet in een oudedagsverplichting (ODV). Die verplichting staat op de balans van de BV en moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van de AOW-leeftijd ingaan. De uitkeringen lopen in principe twintig jaar. Eerder beginnen mag, maar maximaal vijf jaar vóór de AOW-leeftijd; de looptijd wordt dan overeenkomstig verlengd. Wie de voorwaarden niet naleeft, riskeert directe belastingheffing over de volledige waarde en 20% revisierente.

Een ODV mag geheel of gedeeltelijk worden afgestort in een bancaire lijfrente. Ook een al ingegane ODV kan worden omgezet, maar dan moet de volledige verplichting worden afgestort en is vooraf toestemming van de Belastingdienst nodig. Bij onderdekking door reële ondernemings- of beleggingsverliezen kan, in overleg met de Belastingdienst, het resterende vermogen van de BV worden ingebracht. Het niet-afgestorte deel wordt dan als oninbaar beschouwd; de BV moet daarna wel worden geliquideerd.

Een bancaire lijfrente biedt meer flexibiliteit dan een ODV. De klant kan de uitkeringen eerder of later laten starten, kiezen voor een kortere of langere looptijd en verschillende lijfrenten combineren om bijvoorbeeld eerst hogere en later lagere uitkeringen te ontvangen. Na omzetting kan het bovendien eenvoudiger worden om de BV op te heffen. Een belangrijk verschil met een verzekeringslijfrente is dat het resterende tegoed van een bancaire lijfrente doorgaans vererft naar erfgenamen of legatarissen, terwijl het bij een verzekering aan de verzekeraar kan toevallen. De tekst, afkomstig van Evi van Lanschot, geeft de stand van zaken weer op 17 september 2026 en bevat geen persoonlijk fiscaal advies.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen legt Job Knoester zaak voor: ‘De oud-gevangenisbewaarder van Henk Kuipers…’