Wat hadden de schilders van de naoorlogse kunstscene in Londen gemeen?
In dit artikel:
Kunstmuseum Den Haag zet met de tentoonstelling London Calling veertien kunstenaars in de schijnwerpers die elk op hun eigen manier aan Londen verbonden zijn. De selectie omvat wereldnamen als Francis Bacon, David Hockney, Lucian Freud en Paula Rego, maar ook minder vertrouwde makers zoals Sandra Fisher, Lynette Yiadom-Boakye, Sylvia Sleigh en Denzil Forrester. De groep is chronologisch en geografisch breed: tussen geboortejaren loopt het gat van 1909 (Bacon) tot 1977 (Yiadom-Boakye), en meerdere kunstenaars zijn niet in Groot-Brittannië geboren (onder anderen Auerbach, Freud, Kitaj, Forrester en Rego).
In plaats van één gemeenschappelijke stijl laat de tentoonstelling juist de verscheidenheid zien, en onderzoekt aan de hand van vijf tegenstellingen wat die uiteenlopende praktijken toch met elkaar verbindt. Een opvallende verbindende factor is het vakmanschap en de liefde voor verf: Auerbach en Bacon gebruiken dikke, pasteuze verflagen; Rego, Forrester en Hockney tonen een intens vertrouwen in de mogelijkheden van het schilderen. Tegelijkertijd reageren veel van hen op de veranderende visuele cultuur — fotografie en film — en bevragen ze wat het betekent om werkelijkheid op een plat vlak vast te leggen. Hockney en Michael Andrews gebruikte foto’s als vertrekpunt, maar voegden door hun penseelvoering intimiteit en emotie toe die de bronbeelden niet hadden.
Intimiteit en lichamelijkheid vormen een ander terugkerend thema. Naakten bij Freud en Fisher lijken traditioneel, maar richten de aandacht op de spanning tussen uiterlijk en innerlijk: lichamen geven iets van iemands psyche prijs, maar kunnen ook ontoegankelijk blijven. Sandra Fisher keert de traditionele blik om door mannen in conventionele vrouwenposes te schilderen en daagt daarmee de neutraliteit van ons kijken uit. Freud’s naakten zijn tegelijkertijd kwetsbaar en moeilijk benaderbaar; Bacon vervormt figuren zo dat identiteit en emotie allebei voelbaar blijven.
De naoorlogse context is cruciaal: vrijwel alle carrières bloeiden na de Tweede Wereldoorlog en weerspiegelen maatschappelijke veranderingen. Auerbachs vroege stadsgezichten tonen het puin van Londen, Kossoffs zwembad schildert collectieve ontspanning met een dubbelzinnige, soms melancholische ondertoon. Thema’s als migratie en representatie krijgen meer aandacht: Yiadom-Boakye en Forrester richten zich op mensen van migrantenachtergrond die lange tijd weinig in het Britse kunstgebeuren voorkwamen. Ook veranderende houdingen ten opzichte van homoseksualiteit komen expliciet terug — van Bacon’s openlijke weergave van seks tussen mannen tot Hockney’s intieme dubbelportretten van homostellen.
Daarnaast speelt geweld een constante rol, soms expliciet, soms als onderstroom in tedere scènes. Rego’s sprookjesachtige taferelen verbergen vaak een scherpe kritiek op genderrollen; Hockney en Bacon tonen vervreemding en woede binnen intieme relaties. Kleur en penseelvoering dragen daar aan bij: zachte tinten die brutaal zijn aangebracht, of felgekleurde, bijna speelse doeken waar toch ontzetting uit spreekt.
London Calling laat zien dat de ‘Londense’ schilderkunst na de oorlog enerzijds trouw bleef aan figuratie en ambacht, anderzijds voortdurend reageerde op sociale en visuele verschuivingen. De tentoonstelling koppelt uiteenlopende persoonlijkheden en technieken aan gedeelde vragen over identiteit, lichamelijkheid, representatie en de politieke werkelijkheid van het naoorlogse Verenigd Koninkrijk.