Wat kunnen we doen tegen huiselijk geweld?

dinsdag, 31 maart 2026 (10:34) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

In 2024 hadden bijna 1,3 miljoen mensen boven de 16 jaar in Nederland te maken met huiselijk geweld; het Openbaar Ministerie schat dat meer dan 200.000 daarvan herhaaldelijk en ernstig worden getroffen. VVD-raadslid Erik Verweij (Rotterdam) en Leonie Hutten, directielid van hulporganisatie Blijf Groep, bespraken in Amsterdam de omvang, oorzaken en oplossingen voor dit probleem en waren het eens over de urgentie — maar wezen elkaar ook op wezenlijke beleidsverschillen.

Wat opviel tijdens hun gesprek in het beveiligde kantoor van Blijf Groep was het pleidooi van Verweij om de aanpak fundamenteel te veranderen: niet het slachtoffer uit huis plaatsen, maar de pleger. Hij stelt onder meer een ‘afkoelhuis’ voor waar plegers tijdelijk verblijven en verplichte behandeling moeten doorlopen voordat zij terugkeren. Verweij wil bovendien dat hulp aan plegers betaalbaarder en verplicht wordt; nu hangt de keuze voor behandeling vaak van de pleger zelf af en kan eigen risico van ongeveer 800 euro een drempel vormen. Ook pleit hij voor hogere kwaliteit en meer uniformiteit in behandelingen, omdat bestaande trajecten (zoals sommige trainingstrajecten via reclassering) niet effectief genoeg blijken.

Hutten erkent de noodzaak om plegers meer aandacht te geven, maar waarschuwt dat eenzijdige beleidsingrepen risico’s hebben. Zij benadrukt dat huiselijk geweld zich in veel verschillende vormen voordoet — seksueel, psychisch, controlerend, financieel — en dat elke casus maatwerk vraagt. Een uniforme, verplichte benadering kan volgens haar vooral de kwetsbaarste plegers hard treffen en onbedoeld de hulp voor slachtoffers uitkleden, juist omdat de ggz en andere hulpverleningsketens nu al ondercapaciteit kennen. Ook vreest ze dat het verplichten van hulp en striktere sancties vooral mensen uit achterstandswijken harder zal raken dan goedbemiddelden.

Beide gesprekspartners juichen het van oorsprong Rotterdamse inloopcentrum Filomena toe, dat sinds kort ook in Amsterdam werkt: bij Filomena begeleidt één vast contactpersoon slachtoffers door alle instanties (medisch, juridisch, huisvesting). Zowel Verweij als Hutten vinden dat dit ‘single point of contact’-model nationaal ingevoerd zou moeten worden, omdat de huidige hulpketen te versnipperd is. Verweij noemt het schrijnend dat slachtoffers tijdens hulptrajecten vaak gemiddeld zeventig verschillende hulpverleners tegenkomen, wat bureaucratisch en traumatisch doorwerkt.

Cijfers illustreren de kloof tussen werkelijkheid en signalering: volgens Verweij duurt het gemiddeld zeventig incidenten voordat iemand een melding doet bij Veilig Thuis. In de eerste helft van 2025 waren er 66.000 meldingen — meer dan in 2024 — maar nog steeds verre van het werkelijke aantal slachtoffers. Beide gesprekspartners zien het belang van preventie: Verweij legt een grotere verantwoordelijkheid bij de samenleving zelf (buren, verenigingen, beroepen als kappers of trainers moeten ingrijpen), terwijl Hutten vooral een rol voor de overheid ziet om systemen en capaciteit op orde te brengen.

Het debat spitst zich toe op de praktische en ethische dilemma’s: hoe balanceer je de bescherming van slachtoffers met rechten en toekomstperspectief van plegers, hoe voorkom je dat beleidsmaatregelen bestaande ongelijkheden versterken, en hoe zorg je voor effectieve, betaalbare en toegankelijke behandeltrajecten? Verweij dringt aan op snel handelen nu maatschappelijke aandacht voor geweld — mede aangewakkerd door publieke affaires en femicides — hoog is; Hutten waarschuwt dat politieke aandacht niet automatisch tot goede en rechtvaardige oplossingen leidt zonder investering in capaciteit en maatwerk. Beide benadrukken echter dat het momentum om te veranderen nu benut moet worden.