Welke kunstenaar verdient subsidie en wie bepaalt dat?

dinsdag, 24 februari 2026 (08:34) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

In het kantoor van het Cultuurfonds in Amsterdam spraken directeur Cathelijne Broers en componist/schrijver John Borstlap (1950) met elkaar over de vraag welke kunst subsidie (of liever: giften) verdient, en wie dat hoort te bepalen. De ontmoeting krijgt na ongeveer een uur een kantelpunt als het gesprek over popmuziek leidt tot de begrippen ‘hoge’ versus ‘lage’ cultuur: Borstlap keurt pop en conceptuele kunst hard af als kunst die geen subsidie waard is; Broers vindt die tegenstelling elitair en onwenselijk.

Wie en waar: Broers vertegenwoordigt het Cultuurfonds, dat jaarlijks ruim vijftig miljoen euro aan private gelden verdeelt; Borstlap is een televisie- en podiumbekende klassieke componist die klaagt dat zijn werk decennialang te behoudend werd bevonden door zowel publieke als private geldschieters. Wanneer: de discussie vindt plaats in aanloop naar de vorming van een liberaal minderheidskabinet, een context waarin Broers pleit voor meer overheidsinspanning op cultuur vanwege het hefboomeffect op private donaties.

Wat: beide gesprekspartners zijn het eens dat Nederland relatief weinig investeert in cultuur en dat meer publieke inzet zou helpen. De kern van hun meningsverschil gaat over subsidieregels en inhoudelijke bemoeienis. Borstlap pleit voor een totaal inhoudsneutrale toekenning: geld moet beoordeeld worden op professionaliteit en ervaring van de aanvrager, en programmering en artistieke keuzes moeten worden overgelaten aan bemiddelaars (orkesten, musea, gezelschappen) en het publiek. Hij vreest dat huidige criteria, ook bij fondsen zoals het Cultuurfonds, impliciete invloed op inhoud uitoefenen.

Broers erkent Borstlaps frustratie en noemt zichzelf voorstander van ‘trust‑based giving’: fondsen moeten makers vertrouwen en ruimte geven. Tegelijk waarschuwt ze dat volledige ontziening van inhoud risico’s kent — instituutsonwil, regie zonder ambitie of landelijke toegankelijkheid — en dat er plek moet blijven voor zowel vernieuwing als behoud, en voor nicheprogramma’s en talentontwikkeling. Ze wijst op praktische dilemma’s: podia in de popscene leven van bezoekersinkomsten, jong talent heeft behoefte aan vlieguren, en het Cultuurfonds wil zowel traditionele als vernieuwende projecten ondersteunen.

Waarom dit belangrijk is: de discussie raakt aan fundamentele vragen over kunstbeleid — of subsidie moet sturen op maatschappelijke doelen en bereik, of strikt op kwaliteit/kunstenaarschap — en over wie het laatste oordeel moet vellen: ambtenaren en fondsen, instellingen of het publiek zelf. Borstlap wil heldere scheidslijnen tussen ‘serieuze kunst’ en entertainment; Broers verdedigt een breder, inclusiever begrip van cultuur en benadrukt dat publieke bereikbaarheid en diversiteit in het aanbod essentieel zijn.

Slot: de discussie wordt soms scherp en persoonlijk — Borstlap noemt pop en conceptuele kunst “geen kunst”, Broers noemt dat elitair — maar eindigt op een verzoenende noot: ze spreken af samen naar een project van Holland Baroque te gaan kijken, met de instemming van Borstlap om het geen hoog-laag discussie te laten worden. De uitwisseling illustreert de spanning tussen autonomie van makers en maatschappelijke verantwoordelijkheid van instellingen en fondsen in het Nederlandse cultuurbeleid.