Wie investeert in mode?
In dit artikel:
De Nederlandse modesector kampt met een structureel financieringsprobleem: veel ontwerptalenten overleven op een aaneenschakeling van prijzengeld en subsidies en vinden weinig structurele kapitaalinjecties om collecties voor te financieren en te schalen. Dat maakt het starten van een label haalbaar, maar langdurig doorgroeien risicovol en onvoorspelbaar.
Tess van Zalinge is een uitzondering: zij viert dit jaar tien jaar van haar gelijknamige, circulaire label en bouwde haar bedrijf op met spaargeld, subsidies en prijzen (onder meer bij het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Stimuleringsfonds). In 2020 zocht ze zakelijke mentoren op om bedrijfskundige vaardigheden te leren — kennis die haar hielp professioneler te onderhandelen en strategisch te denken over financiën. Ze houdt vast aan handgemaakte, unieke stukken en weigert commerciële uitbreidingen zoals logo-T-shirts, omdat ze dat strijdig vindt met haar artistieke visie. Tegelijk waarschuwt ze voor de valkuilen van investeerdersrelaties: er bestaan voorbeelden van ontwerpers die hun merkidentiteit of zelfs naam zijn kwijtgeraakt na conflicten met financiers.
Het Amsterdamse label Martan laat zien hoe privé-investeringen groei mogelijk maken. Martan gebruikt afgekeurd hotellinnen en schakelde in 2022 over op confectie op grotere schaal. Een eerste project werd mogelijk gemaakt met €50.000 van Stichting Doen; daarna trokken de oprichters gericht investeerders aan. Sinds 2024 telt Martan acht investeerders die samen circa €400.000 inlegden, met individuele bijdragen van €10.000 tot €80.000. Met steun van impactinvesteerders zoals Semilla Impact en ondernemers als Thijs Verheul werkt het merk aan internationale uitbreiding en plant het een grotere investeringsronde met een target van minimaal €1 miljoen. Belangrijk: de geldschieters houden zich afzijdig van het creatieve proces en beleggen vooral vanwege het circulaire verdienmodel.
Toch blijft mode een moeilijke propositie voor veel financiers. Investeerders die snel rendement willen zien, mijden jonge modemerken vanwege de lage slagingskans en de grote rol van smaak en netwerk naast puur zakelijke metrics. Zelfs gevestigde luxespelers kampen met tegenwind — een voorbeeld is LVMH, dat recente omzetdaling liet zien — waardoor mode-investeringen extra kritisch worden bekeken. Sommige investeerders blijven wel overtuigd van mogelijkheden wanneer duurzaamheid en circulariteit duidelijk zijn: jongere consumenten blijken volgens onderzoek bereid meer te betalen voor duurzame kleding, wat een potentiële markt biedt.
Er is ook een aandachtspunt rond begeleiding: in Frankrijk krijgen veelbelovende ontwerpers naast geld intensieve mentorships via prijzen als de LVMH-, Hyères- en Andam-awards; dat ontbreekt grotendeels in Nederland, waar talentsubsidies aanzienlijk kleiner zijn. Investeerders en mentoren uit de commerciële hoek worden daarom als cruciaal gezien om ontwerpers niet alleen financieel, maar ook strategisch te laten groeien.
Samengevat: kapitaal en kennis zijn de ontbrekende schakel voor veel Nederlandse modetalenten. Voor sommige duurzame labels zoals Martan en Van Zalinge biedt een mix van subsidies, impactkapitaal en mentorschap een levensvatbare route naar opschaling. Tegelijk waarschuwen verhalen van strubbelingen met financiers en de conservatieve houding van veel investeerders dat groeien met behoud van artistieke autonomie geen vanzelfsprekendheid is.