Yves Klein, mythemaker op doorreis

vrijdag, 24 april 2026 (07:05) - Het Financieele Dagblad

In dit artikel:

Yves Klein verschijnt in het kunsthistorische verhaal als een komeet: in enkele jaren verwierf hij enorm veel aandacht met zijn monochrome doeken, provocatieve performances en het lanceren van een eigen kleurregister. Het Stedelijk Museum Schiedam zet die vlucht van Klein in perspectief door ook het minder vaak getoonde werk van zijn ouders — de Nederlandse Frits Klein en de Franse Marie Raymond — en dat van zijn vrouw Rotraut Uecker te tonen. Zo wordt het beeld bijgesteld: Klein opereerde niet uit het niets, maar in een familielandschap van kleurgevoel, experiment en zintuiglijkheid.

Kleins kunst draait om aanwezigheid. Zijn doeken in intens indigoblauw (bekend geworden als International Klein Blue), fel roze, goud of rood zijn radicaal eenvoudig en vragen de kijker om louter te zijn: ervaren in plaats van verklaren. Diezelfde eenvoud roept twijfel op — is dit puur, krachtig werk of leeg spektakel? — en dwingt de toeschouwer zijn eigen angst om betekenis te geven onder ogen te zien. Klein schakelt materialen en handelingen in die direct de zintuigen aanspreken: hij schilderde met vuur, met naakte lichamen als ‘levende penselen’ (Anthropométrie), met regen en zand, en behandelde objecten zoals sponzen en standbeelden met zijn kenmerkende kleur.

Tegelijkertijd cultiveerde Klein zelf het mythische beeld van de kunstenaar. Hij patenteerde geen kleur enkel om het blauw, maar een werkwijze om de intensiteit ervan te behouden, en hij verbond zijn naam consequent aan zijn werken en acties — van het in brand steken van doeken tot het dirigeren van een ‘muziekstuk’ dat een lange toon en stilte combineerde. Die theatrale zelfpresentatie levert verbluffende, soms ontroerende werken op, maar riep ook vragen op over de houdbaarheid van zijn faam: in hoeverre rust de waarde van zijn werk op de eigen charisma en theatrale energie van de maker?

Die onzekerheid werd zelfs door naasten gevoeld; zijn moeder Marie Raymond vroeg zich af of Kleins enthousiasme voldoende was om zijn kunst blijvend te laten spreken. De tentoonstelling toont hoe familiebanden zich vertalen in overeenkomsten en verschillen: Frits Klein bleef figuratief maar met een sterk kleurgevoel; Marie Raymond ontwikkelde een meer autonome, kleurrijke abstractie; Rotraut Uecker deelt met Yves een vrijmoedige, zintuiglijke inslag.

Klein leefde intens en kort: geboren 1928, gestorven 1962 op 34-jarige leeftijd aan een hartaanval na hevige emotie over de schokfilm Mondo Cane. Zijn werk balanceert tussen manifest van pure energie en zelfgekozen mythevorming — voor sommigen grootse kunst, voor anderen antikunst. De tentoonstelling in Schiedam nodigt uit tot herwaardering: niet om Klein te ontmythologiseren, maar om te laten zien dat zijn radicale ideeën over aanwezigheid, zintuiglijkheid en de rol van de kunstenaar wortels hebben in een bredere familiale en artistieke context.

De auteur voegt een persoonlijke noot toe: als zoon van Cees Andriessen herkent hij in Kleins werk juist die lichamelijke, ontvankelijke kwaliteit die hem destijds al trof — een kunst die niet alleen het hoofd, maar ook het lichaam aanspreekt.